Geplaatst op 29 maart 2011 door: Eva Marianne Cornet | 0 reacties | Reageer

Analysemethode onderscheidt variatie in foetale hartslagfrequentie

Analysemethode onderscheidt variatie in foetale hartslagfrequentie

Door een nieuwe techniek voor het meten en analyseren van de variatie in de foetale hartslagfrequentie, ontwikkeld door onderzoekers van Máxima Medisch Centrum (MMC) in Eindhoven/Veldhoven en de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e), kan de gynaecoloog in de toekomst meer betrouwbare en sneller informatie krijgen over de conditie van het ongeboren kind.

In een reeks promotieonderzoeken, onder leiding van perinatoloog prof. dr. Guid Oei en klinisch fysicus prof. dr. ir. Pieter Wijn van MMC, wordt gewerkt aan een nieuwe meet- en analysetechniek die betrouwbare informatie geeft over de conditie van het ongeboren kind en het verloop van de zwangerschap en de bevalling. Vorig jaar resulteerde dit al in twee promoties aan de TU/e: Chiara Rabotti promoveerde op een onderzoek naar het uitwendig meten van de weeënactiviteit via elektrodes op de buik van een zwangere vrouw en Rik Vullings op het meten van het foetale ECG via dezelfde elektrodes.

Uitwendige ECG-signalen

Het promotieonderzoek van technisch natuurkundige en klinisch fysicus Chris Peters, naar de variatie in de foetale hartslagfrequentie, bouwt hierop voort. Via technische berekeningen 'filtert' Peters het foetale 'slag op slag' hartritme uit (onder andere) de uitwendige ECG-signalen die gemeten kunnen worden met de methode van Vullings. Peters heeft veel werk verzet om de verhouding tussen 'ruis' en de harttonen van het kind in de meetgegevens te verbeteren. Een uitwendig gemeten echo Doppler of ECG levert per definitie 'meetverstoringen' op.

Foetale hartritme

Peters heeft ook een analysemethode ontwikkeld om bruikbare nieuwe informatie te kunnen halen uit de variatie in het foetale hartritme, zelfs wanneer tot 20 procent van de gegevens door meetverstoringen ontbreekt. Hij toont in zijn onderzoek verder aan dat met zijn rekenmethode het ‘slag op slag’ hartritme van het ongeboren kind, en de variatie daarin, vooral tussen de 20e en 25e week van de zwangerschap via het uitwendige ECG zeer betrouwbaar gemeten kan worden. Om in de weken na die periode net zo betrouwbaar het uitwendige ECG te kunnen meten zijn verdere verbeteringen van de technologie noodzakelijk, waarbij de hoeveelheid ruis verder moet worden gereduceerd. Een complicerende factor daarbij is dat de ECG-metingen na de 25e zwangerschapsweek verstoord worden door de aanwezigheid van vernix.

TOCO-pleister

Peters, Vullings en Oei hebben zoveel vertrouwen in hun nieuwe technieken, dat zij het bedrijf Nemo Healthcare hebben opgericht. In dit bedrijf wordt, samen met MMC en de TU/e, gewerkt aan de doorontwikkeling tot klinische toepassingen. Het eerste product, de TOCO-pleister waarin de door Rabotti ontwikkelde techniek toegepast is, wordt momenteel in MMC getest, en ook andere ziekenhuizen hebben interesse getoond. De techniek kan gemakkelijk worden aangesloten op de bestaande infrastructuur van de ziekenhuizen. Chris Peters, tegenwoordig werkzaam als klinisch fysicus in het Jeroen Bosch Ziekenhuis in ‘s-Hertogenbosch, promoveert op 30 maart aan de TU/e.


Reacties (0)




(Advertentie)