Geplaatst op 12 september 2017 door: Mednet Redactie | 0 reacties |

ERS in Oranje; een Nederlandse blik op ERS-congres

ERS in Oranje; een Nederlandse blik op ERS-congres

IPF, remissie van astma en de gevolgen van de GOLD-classificatie stonden centraal tijdens de voordrachten op het eerste ERS in Oranje Diner in Milaan. Enkele tientallen longartsen (in opleiding) luisterden tussen de gangen van het diner naar een aantal interessante voordrachten, die refereerden aan onderzoek op het jaarlijkse congres van de European Respiratory Society in Milaan.

Marlies Wijsenbeek-Lourens, longarts in het Erasmus MC, was de eerste spreker tijdens het diner.  Ze vertelde over de verschillende behandelingen voor IPF, die sinds een aantal jaren mogelijk zijn, zoals pirfenidon en nintedanib. “Het vreemde is”, zo vertelde zij, “Dat de beschikbaarheid van nieuwe middelen nog niet tot veel  behandeling heeft geleid.” Wijsenbeek vertelde dat er vanuit de overheid is gesteld dat de behandeling met pirfenidon mag pas starten bij een FVC onder de 80 procent. “Maar dat is toch vreemd? Stel dat een patiënt begint met een longfunctie van 110 procent. Dan geef ik hem de boodschap dat hij eerst erg achteruit moet gaan, voordat ik start met behandelen. Dat zou je bij een kankerpatiënt niet in je hoofd halen.”
Uit nog ongepubliceerd onderzoek blijkt dat maar 50 procent van de IPF-patiënten daadwerkelijk behandeld wordt. De patiënten met milde IPF krijgen de minste behandeling van alle patiënten. Saillant detail is dat mannelijke longartsen minder voorschrijven aan IPF-patiënten dan vrouwelijke longartsen.

Bijwerkingen

De vraag is, volgens Wijsenbeek, waarom er niet behandeld wordt. De bijwerkingen van de medicatie lijken een van de redenen te zijn. “Maar ik heb het idee dat dit vooral een vooronderstelling van longartsen is. Patiënten geven aan dat veel minder belangrijk te vinden. Zij vinden de effectiviteit van de middelen vele malen belangrijker.”

ERS in Oranje klein

Astmaremissie

De tweede spreker was Maarten van den Berge, longarts in het UMCG. Hij nam het onderwerp astmaremissie onder de loep en keek naar de verschillen tussen complete remissie, klinische remissie en nog steeds bestaande astma. Van den Berge en zijn onderzoeksgroep bekeken de onderzoeksgegevens van een grote groep kinderen met astma, die dertig jaar zijn gevolgd. Uit de gegevens bleek dat van de groep kinderen na dertig jaar 29 procent in klinische remissie was en 22 procent in complete remissie.  Vraag is of een complete remissie ook echt betekent dat de astma verdwenen is. Uit onderzoeken blijkt dat de hoeveelheid eosinofielen in bronchiale biopsies lager is bij complete remissie dan in klinische remissie. Tegelijkertijd is het basaalmembraan bij zowel complete als klinische remissie even dik als bij bestaande astma. “Het is dus mogelijk om symptoomvrij te zijn, maar tegelijkertijd nog wel een verdikt basaalmembraan te hebben. “

Terugval

Een volgende vraag was hoe groot de kans is dat kinderen met een klinische remissie ooit nog een terugval krijgen. Van de 47 kinderen in de onderzoeksgroep, die in 1996 nog astma hadden, waren er in 2006 29 in remissie, terwijl 18 kinderen toch weer astma hadden gekregen. Om hier een verklaring voor te krijgen, is de Groningse onderzoek druk met genetisch onderzoek. Het blijkt bijvoorbeeld dat een complete astmaremissie vaak voorkomt bij een robuuster fenotype astma, anders dan bij klinische remissie. “We moeten nog beter begrijpen hoe de genetische en moleculaire mechanismen werken”, aldus Van den Berge. “Dat helpt ons om nieuwe behandelstrategieën te ontwikkelen.”

GOLD

De laatste spreker, tevens voorzitter van de avond, was Frits Franssen, longarts in CIRO en Maastricht UMC+. Hij sprak over de GOLD-classificaties. Hij vertelde dat de nieuwe GOLD is gebaseerd op het aantal exacerbaties enerzijds en de klinische symptomen anderzijds. De vraag is echter hoe een exacerbatie wordt gedefinieerd. Uit onderzoeksgegevens blijkt bijvoorbeeld dat er bij een opname vanwege een COPD-exacerbatie lang niet altijd sprake is van een werkelijke exacerbatie. Er is bovendien een enorme heterogeniteit als het gaat om exacerbaties. “Er zijn mensen met een stabiel patroon van exacerbaties, bijvoorbeeld één per jaar, maar er zijn ook patiënten met een heel wisselend patroon van exacerbaties.” Daarnaast is er ook veel discussie over de relevantie van luchtwegvernauwing. “Ik verwacht dan ook dat de GOLD-richtlijnen over een aantal jaren wel weer aangepast zullen worden”, aldus Franssen.
Hij ging tijdens zijn voordracht ook in op andere behandelingen dan farmacologische. “Er zijn nieuwe onderzoeken naar de effecten van fysieke training bij COPD-patienten en bariatrische chirurgie. Die lijken beide invloed te hebben op de longfunctie. De komende jaren moeten we verder onderzoeken of er een verband is en hoe we dit in de kliniek kunnen inzetten.”


Reacties (0)




(Advertentie)