Bij 9 van de 10 patiënten met prostaatkanker is mogelijk microplastic aanwezig in de tumor, blijkt uit een Amerikaans onderzoek. De resultaten suggereren dat de concentratie van microplastics in prostaatkankerweefsel hoger is dan in benigne prostaatweefsel.1
Micro- en nanoplastics zijn wijdverspreid in het milieu en zijn inmiddels aangetoond in diverse humane weefsels. Preklinische data suggereren bovendien een mogelijke rol bij carcinogenese, maar direct bewijs dat microplastics betrokken zijn bij het ontstaan van prostaatcarcinoom ontbreekt vooralsnog. Om hier meer inzicht in te krijgen, onderzochten Amerikaanse onderzoekers de aanwezigheid van microplastics in zowel prostaatkanker- als benigne prostaatweefsel.
Het onderzoek includeerde 10 patiënten met gelokaliseerd prostaatcarcinoom die een radicale prostatectomie ondergingen. Om contaminatie te vermijden, werd het prostaatpreparaat verwerkt zonder plastic gereedschap en bewaard in een metalen container. Bij iedere patiënt werd tevens benigne prostaatweefsel van de tumorvrije zijde van de prostaat verzameld. Vervolgens gebruikten de onderzoekers 2 technieken om de aanwezigheid van microplastics te onderzoeken: een visuele inspectie in combinatie met Raman-microscopie om de hoeveelheid en partikelgrootte te bepalen, en pyrolyse-gaschromatografie/massaspectrometrie om de stoffen te identificeren op basis van de massa ervan.
Microscopie toonde microplastics aan bij 60% van de patiënten, met een grootte variërend van 1,2 tot 40,3 µm. Met de tweede techniek werden microplastics gevonden in 90% van het tumorweefsel en in 70% van het benigne weefsel. De concentratie microplastics bleek hoger in tumorweefsel (gemiddeld 39,8 µg/g; mediaan 16,3), dan in benigne weefsel (gemiddeld 15,5 µg/g; mediaan 7,0). De meest aangetroffen polymeren waren nylon-6 en polystyreen.
Deze bevindingen bevestigen dat microplastics frequent aanwezig zijn in prostaatcarcinoomweefsel en wijzen op hogere concentraties in tumorweefsel dan in benigne weefsel. Vervolgonderzoek is nodig om een mogelijk causaal verband met carcinogenese aan te tonen.
Bron: