De Europese PHILEOS-studie laat zien dat het risico op botverlies bij hemofiliepatiënten sterk samenhangt met de ernst van de ziekte en het moment waarop profylaxe wordt gestart. Patiënten die al vroeg in hun leven profylaxe kregen, hebben aanzienlijk minder kans op osteopenie en osteoporose dan patiënten die laat of geen profylaxe krijgen.1
Aan de casecontrolestudie deden patiënten met ernstige, matige en milde hemofilie mee in 23 centra in Frankrijk, België, Roemenië, Kroatië en Hongarije. In totaal werden 224 patiënten met hemofilie (130 hemofilie A, 94 hemofilie B) vergeleken met 224 gezonde controles, die waren gematcht op leeftijd en BMI.
De botdichtheid werd gemeten bij de femorale hals en de wervelkolom. Osteopenie werd gedefinieerd als een T-score tussen –1 en –2,5, osteoporose als een T-score lager dan –2,5. Bij ernstig hemofiliepatiënten zonder profylaxe had 24,2% osteoporose, tegenover 3% van de controles. Hepatitis C-infectie verhoogde dit risico nog verder (46,7% versus 5,6%).
Patiënten die profylaxe pas na hun 20e jaar begonnen, hadden ook een hoger risico op osteoporose (33,3% versus 10,4% bij controles) en bijna 2 keer zoveel osteopenie (83,3% versus 47,9%). Bij patiënten die al vroeg profylaxe kregen (0-10 of 11-20 jaar), en ook bij patiënten met matige of milde hemofilie, was het risico op botverlies vergelijkbaar met dat bij gezonde controles. Het risico was hoger bij hemofilie A dan bij hemofilie B. De onderzoekers adviseren daarom routinematig monitoring van de botdichtheid bij deze risicopatiënten.
Bron:
Tardy B, Brinza M, Boban A, et al. European prospective case-control study evaluating the prevalence of bone loss in patients with hemophilia: PHILEOS study. EAHAD 2026, abstract PO044.