Senior onderzoeker dr. Mirian Brink (IKNL) en collega’s brachten alle Nederlandse vrouwen met borstimplantaat-geassocieerd anaplastisch grootcellig lymfoom (BIA-ALCL) en hun behandelingen systematisch in kaart. Het gaat om in totaal 91 patiënten die tussen 1997 en 2022 in Nederland zijn gediagnosticeerd.
Borstimplantaat-geassocieerd anaplastisch grootcellig lymfoom (BIA-ALCL) is een zeldzaam perifeer T-cellymfoom (PTCL) geassocieerd met getextureerde siliconen borstimplantaten (SBI). “BIA-ALCL-patiënten kunnen een borstreconstructie met getextureerde implantaten hebben ondergaan vanwege borstkanker, profylactische mastectomie vanwege een hoog risico op borstkanker of om cosmetische redenen”, legt Brink uit.
Diagnoses
Het eerste BIA-ALCL-geval werd in 1997 gemeld. Tot juni 2024 registreerde de Amerikaanse FDA wereldwijd 1.380 gevallen. In Nederland zijn inmiddels 91 patiënten gediagnosticeerd; het aantal nieuwe diagnoses ligt momenteel rond de 8 tot 10 per jaar. Het cumulatieve risico voor vrouwen met implantaten is in Nederland geschat op 29 per miljoen op 50-jarige leeftijd en 82 per miljoen op 70-jarige leeftijd.
Met behulp van gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) analyseerde Brink alle vrouwen met een BIA-ALCL. De mediane leeftijd van de vrouwen was 55 jaar (bereik 28-80 jaar). Bij 33 patiënten (36%) was er eerder sprake van borstkanker en bij 7 patiënten (8%) was er sprake van een andere maligniteit dan borstkanker. De mediane tijd tussen de diagnose borstkanker en BIA-ALCL bedroeg 14,1 jaar (bereik 3,7-35,5 jaar).
Behandeling
De meeste vrouwen (74%) hadden stadium I bij diagnose. De eerstelijnsbehandeling bestond in dit stadium voornamelijk uit chirurgie (88%), waarbij het implantaat en kapsel volledig werden verwijderd. 8 patiënten (12%) ontvingen chemotherapie. Bij stadium II werd meestal chemotherapie gegeven (67%) of een operatie uitgevoerd (33%). Alle 10 patiënten met stadium IV kregen chemotherapie, en 2 van deze patiënten werden ook geconsolideerd met allogene stamceltransplantatie. 1 van de 2 patiënten met een onbekend BIA-ALCL-stadium kreeg chemotherapie, terwijl de andere patiënt een operatie onderging.
In totaal kreeg 30% van de vrouwen chemotherapie. Van de 27 patiënten die chemotherapie kregen, werd de meerderheid (n = 25) behandeld met een CHOP-regime (93%), van wie 25% met toevoeging van etoposide (CHOEP). Bij 3 patiënten werden anthracyclines tijdens de behandeling vervangen door etoposide (11%). Bij stadium IV-ziekte kwam vaak een recidief voor (60%). Brink: “Maar ook na tweedelijnsbehandeling bleven alle patiënten, op 1 na, in remissie. Dit in tegenstelling tot andere perifere T-cellymfomen.”
De langetermijnoverleving is goed: de overleving (OS) na 2 jaar was 98% bij stadium I, 92% bij stadium II en 90% bij stadium IV. “Het onderzoek laat zien dat de overleving op lange termijn uitstekend is bij vroege diagnose en volledige chirurgische verwijdering: na 10 jaar is 92% van de patiënten nog in leven.”
Aanvullende chemotherapie
Brink vindt het opvallend dat bij een derde van de patiënten aanvullende chemotherapie noodzakelijk werd geacht. De veroorzaker van de ziekte, het implantaat, is dan immers al verwijderd. “Wij hadden vooraf verwacht dat chirurgie voldoende zou zijn. Deze verrassende uitkomst kan komen doordat artsen in de beginjaren minder ervaring met dit specifieke lymfoom hadden. En dat ze daarom voor de zekerheid aanvullend chemotherapie gaven”, licht Brink toe. “Er is overigens ook een klein aantal patiënten bij wie niet meteen de implantaten chirurgisch zijn verwijderd, maar die eerst chemotherapie hebben ontvangen.”
De incidentie van BIA-ALCL stijgt de laatste decennia. In de loop der tijd nam de gemiddelde jaarlijkse incidentie toe van 0,6 diagnoses per jaar in de periode 1997-2007 tot 6 diagnoses per jaar in de periode 2008-2022. Toch is de verwachting dat deze zal afnemen. “De getextureerde implantaten die het hoogste risico geven, worden inmiddels niet meer geplaatst, en steeds meer vrouwen laten deze implantaten preventief verwijderen”, legt Brink uit. “We verwachten daarom dat het aantal diagnoses op termijn gaat dalen. Net als bij longkanker door roken, daar zie je die trend ook pas na zo’n 20 jaar.”
Alertheid
Volgens Brink is voor vrouwen met gevorderde ziekte nog geen optimale behandelstrategie vastgesteld. “De ziekte is zo zeldzaam dat er variatie in de behandelstrategie in het land bestaat. Er is wereldwijd nog relatief weinig onderzoek gedaan. We moeten wel opletten dat patiënten met de ziekte in stadium I niet worden overbehandeld.” Daarom roept ze behandelaars op samen te werken om de beste behandelstrategie te bepalen en met elkaar in overleg te gaan over een patiënt.” Brink benadrukt verder het belang van alertheid bij zowel artsen als patiënten. “Tijdige herkenning én volledige verwijdering van het implantaat geven uiteindelijk de beste kans op genezing. We willen zowel artsen als de vrouwen wijzen op zelfonderzoek en het niet negeren van signalen zoals zwelling of pijn.”
Referentie:
Meeuwes FO, Brink M, Van der Poel MW, et al. Treatment and outcome of breast implant-associated anaplastic large cell lymphoma: a population-based cohort study in the Netherlands. Leuk Lymphoma. 2025 Jul 9. Online ahead of print.