Op 10 maart 2026 promoveerde Michiel Vlaming aan de Universiteit Utrecht op zijn proefschrift ‘Mainstream germline genetic testing in metastatic prostate cancer’. Als promotoren traden op prof. dr. M.G.E.M. Ausems, prof. dr. E.M.A. Bleiker en prof. dr. L.A.L.M. Kiemeney; copromotor was prof. dr. I.M. van Oort. Michiel Vlaming is momenteel werkzaam als anios urologie in het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis (ETZ) in Tilburg.
Wat was het doel van je promotieonderzoek?
Families opsporen met erfelijke aanleg voor kanker door middel van mainstream DNA-onderzoek bij patiënten met uitgezaaide prostaatkanker. Bij mainstream DNA-onderzoek wordt kiembaan DNA-onderzoek besproken en aangevraagd door de behandelende zorgprofessionals van de patiënt (in ons geval urologen, oncologen, VS/PA) in plaats van de klinisch geneticus. We hebben ervaringen van zorgprofessionals met deze werkwijze onderzocht, evenals de psychosociale gevolgen voor patiënten. Daarnaast hebben we gekeken naar de ervaringen van dragers van een pathogene kiembaanvariant met betrekking tot familiecommunicatie, de prevalentie van pathogene kiembaanvarianten binnen deze patiëntengroep en de gevolgen voor opbrengst en kosten wanneer verschillende inclusiecriteria gebruikt worden voor het aanvragen van DNA-onderzoek.
Wat wil jij dat de klinische dokter van jouw onderzoek weet?
In Nederland heeft zo’n 6% van de patiënten met uitgezaaide prostaatkanker een pathogene kiembaanvariant in een DNA Damage Repair (DDR) gen; met name geassocieerd met borstkanker bij vrouwen. Patiënten die een familieanamnese hebben met borstkanker < 50 jaar of alvleesklierkanker, patiënten met een Joodse afkomst, of patiënten die al een andere maligniteit hebben gehad, lijken een hoger risico te hebben om drager te zijn van een pathogene kiembaanvariant. Wij adviseren kiembaan DNA-onderzoek bij patiënten met uitgezaaide prostaatkanker en bovengenoemde risicofactoren, bij voorkeur via de mainstreaming werkwijze.
Wat was het meest frustrerende onderdeel van je onderzoek?
Na het ontwikkelen van alle vragenlijsten voor patiënt en zorgprofessional en het opstellen van een online trainingsmodule voor zorgprofessionals, zijn we midden in de COVID-19-pandemie gestart met de daadwerkelijke livegang van ons onderzoek. Door de regels die toen golden was het veelal onmogelijk om fysiek bij de 15 deelnemende ziekenhuizen langs te gaan en de studie toe te lichten, en was het voor zorgprofessionals moeilijk om patiënten in een persoonlijk gesprek op de polikliniek te includeren in ons onderzoek. Hierdoor liep de inclusie in het begin van onze studieperiode erg langzaam. Gelukkig is dit later grotendeels ingehaald.
Welk moment/inzicht bracht een doorbraak?
We hebben de prevalentie van pathogene kiembaanvarianten in BRCA1, BRCA2, ATM, CHEK2 en PALB2 bepaald bij bijna 800 patiënten met uitgezaaide prostaatkanker. Omdat we geen Nederlandse populatieprevalentie hadden om dit mee te vergelijken, hebben we deze zelf berekend. We hebben hiervoor een grote groep mensen gebruikt die DNA-onderzoek hebben gehad in UMC Utrecht om willekeurige redenen (van neurogenetisch tot cardiogenetisch). Hier hebben we alle oncologie-gerelateerde panels uitgefilterd. Uiteindelijk hebben we met de exomen van bijna 17.000 mensen een nauwkeurige populatieprevalentie kunnen berekenen van pathogene varianten in bovengenoemde genen, en konden we een goede vergelijking maken.
Wat is de vervolgvraag die voortkomt uit jouw onderzoek?
Na het onderzoek moet nu verdere implementatie van de mainstreaming werkwijze voor patiënten met uitgezaaide prostaatkanker volgen. Omdat DNA-onderzoek bij alle patiënten met uitgezaaide prostaatkanker waarschijnlijk te weinig oplevert, adviseren we dit alleen wanneer ook sprake is van eerdergenoemde risicofactoren. Daarnaast zijn er op dit moment weinig gevolgen voor mannelijke familieleden wanneer een pathogene kiembaanvariant in een DDR-gen gevonden wordt (behoudens bij BRCA2). Aanvullende studies voor het gebruik van PSA-screening bij dragers van een pathogene kiembaanvariant in ATM en CHEK2 zijn mijns inziens gewenst.
Wat neem je zelf mee uit jouw promotieonderzoek? Wat zijn jouw volgende stappen?
Wat ik meeneem is dat erfelijkheid voor patiënten, en soms voor dokters, een moeilijk begrip is. Het verschil tussen een somatische en kiembaanvariant is voor sommige dokters en verpleegkundigen al een uitdaging, laat staan voor patiënten. Daarnaast is het voor patiënten soms lastig te begrijpen dat een erfelijke aanleg die bij prostaatkanker gevonden wordt bij vrouwelijke familieleden weer voor borstkanker kan zorgen. Verder zagen we dat patiënten met een laag opleidingsniveau op bijna alle psychosociale uitkomstmaten slechter scoorden dan patiënten met een hoger opleidingsniveau. Meer aandacht voor deze patiëntengroep is dus van belang.
Ikzelf heb het afgelopen jaar gewerkt als anios SEH in Gelre Ziekenhuizen Apeldoorn en ben half maart gestart als anios urologie in het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis Tilburg.