Onderzoekers van het IKNL brachten op basis van data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) de incidentie, (patiënt)kenmerken, behandeling en overleving van niet-heldercellig niercelcarcinoom in kaart voor de periode 2019-2024.
Van de ruim 13.200 patiënten met een pathologisch bevestigde nierkanker had 23% een niet-heldercellig subtype. De meestvoorkomende waren papillair niercelcarcinoom (13%) en chromofoob niercelcarcinoom (5,3%). De overige 4,3% bestond uit zeer zeldzame subtypes, zoals medullair carcinoom.
Patiënten met chromofoob niercelcarcinoom waren gemiddeld jonger bij diagnose en hadden minder vaak uitzaaiingen dan patiënten met andere subtypes. Bij de zeer zeldzame subtypes had juist een derde van de patiënten uitzaaiingen bij diagnose.
Bij niet-uitgezaaide ziekte onderging het merendeel van de patiënten een chirurgische behandeling, ongeacht het subtype. Bij uitgezaaide ziekte werden grotere verschillen gezien. Patiënten met niet-heldercellig niercelcarcinoom kregen vaker geen tumorgerichte behandeling dan patiënten met heldercellig niercelcarcinoom (40% versus 22%) en ontvingen minder vaak systemische therapie (47% versus 60%).
Bij systemische behandeling werd bij niet-heldercellige subtypes vaker gekozen voor doelgerichte therapie, terwijl bij heldercellig niercelcarcinoom vaker immuuntherapie werd toegepast. Ook de overleving verschilde per subtype. Chromofoob niercelcarcinoom liet de gunstigste uitkomsten zien, terwijl patiënten met zeer zeldzame subtypes de minst gunstige prognose hadden.
Bron: