Alleen aspirine als tromboseprofylaxe na een totale heup- of knieprothese is non-inferieur aan een strategie met eerst 5 dagen rivaroxaban gevolgd door aspirine. Dat blijkt uit de Canadese fase III-studie EPCAT III.
In het multicenter, dubbelblinde onderzoek werden 5.429 patiënten na een totale heup- of knieartroplastiek gerandomiseerd naar aspirine 81 mg eenmaal daags gedurende 5 dagen of rivaroxaban 10 mg eenmaal daags gedurende 5 dagen, gevolgd door aspirine gedurende nog 9 dagen na een knieprothese of 30 dagen na een heupprothese.
De primaire uitkomstmaat was symptomatische veneuze trombo-embolie (VTE) binnen 90 dagen; de primaire veiligheidsuitkomst was het optreden van bloedingen. Symptomatische VTE trad op bij 13 van de 2.718 patiënten (0,48%) in de aspirine-groep en bij 12 van de 2.647 patiënten (0,45%) in de rivaroxaban-groep. Het risicoverschil bedroeg 0,03% (95%-BI –0,34 – –0,39), waarmee aspirine voldeed aan de vooraf vastgestelde non-inferioriteitsgrens (p < 0,001).
Ernstige bloedingen kwamen weinig voor en traden op bij 0,44% van de patiënten in de aspirine-groep en 0,30% in de rivaroxaban-groep. Ook klinisch relevante niet-ernstige bloedingen verschilden niet significant tussen beide groepen (1,21% versus 1,74%).
De onderzoekers concluderen dat tromboseprofylaxe met alleen aspirine na een totale heup- of knieprothese een effectief alternatief is voor een strategie met eerst rivaroxaban en vervolgens aspirine, zonder significante verschillen in bloedingscomplicaties.
Bron: