Patiënten met atriumfibrilleren (AF) die na een ernstige bloeding hun antitrombotische behandeling hervatten, hebben een lager risico op ongunstige klinische uitkomsten dan patiënten die geen antitrombotische therapie meer krijgen. Dat blijkt uit een Nederlands landelijk cohortonderzoek.
De onderzoekers includeerden 462.939 patiënten met nieuw gediagnosticeerd AF die tussen 2015 en 2023 startten met orale anticoagulantia. Van hen maakten 6.368 een eerste ernstige bloeding door. Na ontslag uit het ziekenhuis hervatte 82,6% van de overlevende patiënten binnen 120 dagen een vorm van antitrombotische behandeling.
Vergeleken met patiënten die geen antitrombotische behandeling kregen (38,4 per 100 persoonsjaren), hadden patiënten die een vitamine K-antagonist (VKA; 20,6 per 100 persoonsjaren), een direct werkend oraal anticoagulans (DOAC; 19,9 per 100 persoonsjaren), een trombocytenaggregatieremmer (25,1 per 100 persoonsjaren) of een combinatie van orale anticoagulantia en trombocytenaggregatieremmers (29,9 per 100 persoonsjaren) gebruikten een lager risico op de samengestelde uitkomstmaat van totale mortaliteit, een recidief ernstige bloeding, ischemische beroerte en myocardinfarct. Deze associaties bleven ook na correctie voor verstorende factoren bestaan.
Het risico op een recidief ernstige bloeding was daarentegen iets hoger onder gebruikers van antitrombotische behandeling: 6,4 per 100 persoonsjaren voor VKA, 6,1 voor DOAC, 7,1 voor trombocytenaggregatieremmers en 13,2 voor de combinatiebehandeling, tegenover 5,0 per 100 persoonsjaren bij patiënten zonder antitrombotische behandeling. Daar stond echter een lager risico op trombo-embolische complicaties en sterfte tegenover, wat resulteerde in gunstigere totale klinische uitkomsten.
Bron: