Ziekteprogressie bij mensen met relapsing multipele sclerose (RMS) komt voornamelijk voort uit progressie onafhankelijk van relapsactiviteit (PIRA). Oostenrijkse onderzoekers hadden als hypothese dat netvliesdikte het effect van de gekozen behandelstrategie, namelijk hoog- of middelmatig effectieve ziektemodificerende therapie (DMT), op de tijd tot PIRA kan beïnvloeden. Dit bleek te kloppen.1
DMT’s verschillen in werkzaamheid en risicoprofiel. Dit onderstreept de noodzaak van de opsporing van biomarkers die helpen om de meest geschikte behandeling te kiezen. De dikte van het netvlies, gemeten via optische coherentietomografie (OCT), weerspiegelt de neuroaxonale reserve. Het is echter onduidelijk of deze dikte kan voorspellen hoe een patiënt op een DMT reageert wat betreft de tijd tot PIRA.
In een prospectief, observationeel cohortonderzoek werd een OCT-scan afgenomen bij patiënten met RMS die voor het eerst met een DMT startten. Patiënten begonnen daarna met een hoogeffectieve DMT (HE-DMT, 52%) of een middelmatig effectieve DMT (M-DMT, 48%). Op basis van de OCT-scan bepaalden de onderzoekers de diktes van 2 delen van het netvlies. Ze vervolgden de patiënten mediaan 75 maanden en stelden de tijd vast totdat PIRA was opgetreden, als deze was voorgekomen. Ze gebruikten daarna statistische analyses om de tijd tot PIRA te voorspellen op basis van de netvliesdiktes, behandelstrategie (HE- versus M-DMT) en de interactie tussen beide, gecorrigeerd voor verschillende klinische en MRI-gerelateerde kenmerken.
De onderzoekers includeerden 402 patiënten met RMS. PIRA trad op bij 21%, na een mediane tijdsduur van 49 maanden. Een dunner netvlies hing samen met een hoger risico op PIRA. Behandeling met een HE-DMT gaf een lager risico op PIRA dan behandeling met een M-DMT. Dit beschermende effect van HE-DMT’s was groter voor patiënten met een dikker netvlies. De onderzoekers concluderen dat meting van de netvliesdikte in de toekomst mogelijk kan bijdragen aan gepersonaliseerde behandelkeuzes.
Bron: