Het toevoegen van encorafenib en cetuximab aan FOLFIRI verbetert de progressievrije overleving (PFS) en lijkt ook de totale overleving (OS) te verlengen bij patiënten met een onbehandeld gemetastaseerd colorectaal carcinoom (mCRC) met een BRAFV600E-mutatie. Dat blijkt uit nieuwe resultaten van cohort 3 van de fase III BREAKWATER-studie.1
Eerdere analyses van BREAKWATER lieten al zien dat toevoeging van encorafenib en cetuximab aan mFOLFOX6 leidt tot verbeteringen in responskans, progressievrije overleving en totale overleving. Omdat FOLFIRI eveneens veel wordt toegepast als eerstelijnsbehandeling bij mCRC, onderzochten de onderzoekers in cohort 3 van het onderzoek de combinatie met deze chemotherapie-backbone.
In cohort 3 werden 147 patiënten met een onbehandeld BRAFV600E-gemuteerd mCRC gerandomiseerd naar behandeling met encorafenib plus cetuximab en FOLFIRI of naar standaardbehandeling met FOLFIRI, al dan niet gecombineerd met bevacizumab. Een eerdere analyse van dit cohort liet al zien dat de combinatie leidde tot een significant hogere objectieve respons dan de standaardbehandeling (64,4% versus 39,2%).
De nu gepresenteerde analyse laat zien dat ook de progressievrije overleving significant langer was in de experimentele arm. De mediane PFS bedroeg 15,2 maanden, tegenover 8,3 maanden in de controlegroep (HR 0,44). Subgroepanalyses lieten zien dat het voordeel van de experimentele behandeling consistent was over alle onderzochte patiëntengroepen. Ook de totale overleving was langer. De mediane OS was nog niet bereikt in de experimentele arm, tegenover 20,3 maanden in de controlegroep (HR 0,56). Na 18 maanden was respectievelijk 72,0% en 54,5% van de patiënten nog in leven. Daarnaast wezen de onderzoekers erop dat nog relatief veel patiënten ten tijde van de analyse in de experimentele arm werden behandeld (38,4% versus 9,5%).
Het veiligheidsprofiel was consistent met eerdere rapportages en er werden geen nieuwe veiligheidssignalen waargenomen. Ernstige behandelingsgerelateerde bijwerkingen traden op bij respectievelijk 49% en 44% van de patiënten.
Bron: