Tijdens een zwangerschap neemt de frequentie van relapsen bij vrouwen met MS in het algemeen af, waarna een tijdelijke toename volgt in de eerste 3 maanden na de geboorte. Hoe deze klinische ziekteactiviteit samenhangt met radiologische activiteit, is minder duidelijk. Een nieuw onderzoek heeft geruststellende resultaten.1
In een observationeel cohortonderzoek werden gegevens verzameld uit het register MSBase, met als belangrijkste studiecohort zwangere vrouwen met relapsing MS. Ook werden MRI-scans verzameld die waren afgenomen in de periode vanaf 2 jaar vóór de conceptie (de nulmeting) tot 2 jaar na de bevalling. Deze scans moesten inzicht geven in veranderingen in de volumes van T2-laesies, de gehele hersenen, de cortex en de thalamus.
100 zwangere vrouwen werden geïncludeerd, die in totaal 122 keer zwanger waren geweest en bij wie 377 MRI-scans waren verzameld. De statistische analyses werden onder andere gecorrigeerd voor leeftijd, ziekteduur, score op de Expanded Disability Status Scale (EDSS) en wel of geen hoogeffectieve DMT.
In het eerste jaar na de bevalling was het T2-laesievolume stabiel: bij 87,8% van de zwangerschappen bedroeg de volumeverandering minder dan 1 ml. Een aanvullende analyse toonde dat de kans op een grote volumestijging significant lager was in vrouwen die lang waren doorgegaan met gebruik van een hoogeffectieve DMT (OR 0,18; 95%-BI 0,05-0,69; p = 0,01).
Het totale hersenvolume nam in de eerste 3 maanden na de geboorte af met gemiddeld 0,86% (p < 0,001) en het corticale volume met gemiddeld 1,39% (p < 0,001), maar deze volumes keerden 1 tot 2 jaar na de bevalling terug naar de oorspronkelijke waarden. Dit komt overeenkomt met het patroon van zwangerschapsgerelateerde neuroplasticiteit bij gezonde vrouwen. Een snelle herstart van een DMT na de bevalling bood bescherming tegen een grote afname in het totale hersenvolume (OR 0,34; 95%-BI 0,01–0,67; p = 0,04).
Bron: