Mensen met hiv hebben bij kanker een hogere kankergerelateerde sterfte dan mensen zonder hiv. Hoewel dit vaak kan worden verklaard door verschillen in sociaaleconomische factoren en comorbiditeit, speelt mogelijk ook immuunmodulatie door hiv hierbij een rol.1
In een recente analyse is onderzocht of overlevingsverschillen ook blijven bestaan bij vroege tumoren (stadium I-II) wanneer patiënten vergelijkbare behandelmodaliteiten krijgen. De onderzoekers gebruikten de Amerikaanse National Cancer Database (2004-2020) en includeerden mensen met hiv (PWH; n = 7.022) en mensen zonder hiv (n = 2.749.178) met een incidentstadium I-II long-, prostaat-, anus- of borstkanker. De 5-jaarsoverleving werd beschreven binnen behandelcategorieën (chirurgie, radiotherapie, systemische therapie of combinaties).
Over vrijwel alle behandelmodaliteiten en tumorlocaties heen hadden PWH lagere percentages 5-jaarsoverleving dan mensen zonder hiv. Op 5 jaar was het aandeel patiënten dat nog in leven was bij PWH lager dan bij de mensen zonder hiv voor longkanker (29,6% versus 39,9%), prostaatkanker (72,0% versus 76,9%) en borstkanker (57,6% versus 74,2%). Voor anuskanker was er geen verschil (59,4% versus 59,5%). De verschillen waren voor verscheidene behandelstrategieën statistisch significant.
Deze bevindingen sluiten aan bij eerdere literatuur die laat zien dat slechtere uitkomsten bij PWH niet volledig worden verklaard door stadium of behandeling alleen. Tegelijk blijft residuele confounding waarschijnlijk: performance status, niet-hiv-gerelateerde comorbiditeit en sociale zorgbehoeften ontbreken vaak of zijn beperkt in registratiedata. De klinische boodschap is pragmatisch: ‘gelijke behandeling’ is mogelijk niet genoeg. Integrale zorg (oncologie + hiv + comorbiditeit) en het actief adresseren van barrières voor follow-up en supportive care lijken essentieel.
Bron:
- Schneider DJ, Lin J, Islam JY, et al. Cancer survival differences persist across cancer treatment modalities among people with HIV. CROI Congress 2026, abstract 618.