Delen via:

Het aantal opleidingsplaatsen voor neurologie stijgt van 49 naar 60 per jaar. VWS heeft dat recent besloten, in navolging van het advies van het Capaciteitsorgaan voor 2027. Er ging een lang traject aan vooraf, vertellen prof. Dr. H.W. (Henk) Berendse (Amsterdam UMC; voorzitter Kernconsilium Neurologie) en aios Juliette Brenner (Erasmus MC, Rotterdam; voorzitter VAAN).

In 2018 bedroeg het aantal opleidingsplaatsen 51 per jaar. Het Capaciteitsorgaan adviseerde toen voor de jaren 2021-2023 een daling van het aantal opleidingsplaatsen naar 48. “Dat baarde ons grote zorgen voor de toekomstbestendigheid van de neurologische zorg”, zegt Berendse. “Wij zagen immers een sterk toenemende zorgvraag, en de behoefte van veel collega’s minder uren te gaan werken en eerder met pensioen te gaan.”

Traject gestart

Een basisvoorwaarde voor de continuïteit van de neurologische zorg is dat er voldoende neurologen zijn, en dus voldoende instroom in de opleiding. “Maar die was de afgelopen jaren te laag”, vervolgt Berendse. “We zagen een grote groei van de behandelmogelijkheden, bijvoorbeeld voor beroertes, MS en Parkinson. Patiënten worden bovendien gemiddeld ouder en krijgen meer en complexere aandoeningen die intensievere behandeling vragen.”

Om uiting te geven aan de zorgen, is rond 2020 een traject gestart waarin het Kernconsilium Neurologie, NVN-bestuur, neuroloog dr. Suzanne Booij (CWZ, Nijmegen; voorzitter Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband) en de VAAN gezamenlijk optrokken. Doel was om het Capaciteitsorgaan te overtuigen van de noodzaak meer neurologen op te leiden.

Toekomstperspectief

Berendse benadrukt daarbij de rol van de VAAN (Vereniging Arts-assistenten Neurologie): “Ook zij zagen de noodzaak om de instroom te laten stijgen, mede met het oog op hun toekomstperspectief. Immers als de werkdruk hoog is, zullen minder mensen kiezen voor de opleiding neurologie of ermee stoppen. Dan wordt de werkdruk voor toekomstige neurologen nog hoger. Zij willen weten of er straks voldoende mensen zijn voor de stijgende zorgvraag.”

Alle inspanningen ten spijt verhoogde het Capaciteitsorgaan het aantal opleidingsplaatsen voor de jaren 2024-2026 met slechts 1 plek, van 48 naar 49. “Dat was natuurlijk niet wat we wilden”, aldus Berendse. Inmiddels waren er klinieken, met name aan de randen van het land, die vacatures voor neurologen niet of heel moeilijk opgevuld kregen. Er werd besloten tot een landelijke inventarisatie van het aantal vacatures (42 FTE in 2024) en een analyse van de groeiende zorgvraag en de stijgende werkdruk binnen de neurologie. “Gelukkig hebben die gegevens en alle zorgwekkende geluiden uit het land nu geleid tot de forse toename tot 60. Daar zijn we ontzettend blij mee.”

Goede onderbouwing

Aios Juliette Brenner werd VAAN-voorzitter toen de gesprekken met het Capaciteitsorgaan al gaande waren. “Mijn voorganger had al inventarisatie gedaan wat betreft werkdruk van aiossen en de tekorten aan aiossen in de klinieken. Dus er was goede onderbouwing om het aantal opleidingsplaatsen te verhogen. Er zijn veel neurologen en aiossen die naast hun klinische werk wetenschappelijk onderzoek doen naar bijvoorbeeld nieuwe behandelmogelijkheden en andere innovaties die de kwaliteit van zorg verhogen. Dus niet iedereen werkt fulltime aan het zien en behandelen van patiënten”, legt Brenner uit. “Maatschappelijke veranderingen, zoals meer tweeverdienersgezinnen, hebben er bovendien toe geleid dat flexibeler werken steeds meer de norm is geworden. Door alle veranderingen is er meer behoefte aan neurologen en dus ook aan meer opleidingsplaatsen. Het is heel fijn dat die er nu ook komen.”

Voor aiossen betekent dit volgens Brenner dat zij, naast het zien van veel patiënten, ook actief kunnen blijven werken aan hun opleiding tot neuroloog, inclusief professionele ontwikkeling en het doen van onderzoek om bij te dragen aan innovatie. “Het is noodzakelijk dat alles te kunnen blijven doen, ondanks de toenemende zorgvraag. Zonder medisch-wetenschappelijk onderzoek geen vooruitgang in wat we voor neurologiepatiënten kunnen betekenen. Maar dat vraagt tijd en menskracht. De toename van opleidingsplaatsen geeft ons meer zekerheid over onze toekomst.”

Nieuwe ervaring

Ook de werkzaamheden voor dit onderwerp hebben Brenner veel tijd en energie gekost. Naast haar opleiding doet zij promotieonderzoek. “Dus het is prettig als een grotere groep alle patiëntenzorg kan dragen. Ik krijg wel tijd om te werken aan mijn professionele ontwikkeling, maar er gaat ook veel privétijd in zitten. Anderzijds levert het ook veel op. Ik doe ervaring op in overleggen met een officieel orgaan en op bestuurlijk vlak. Dat zijn andere aspecten van het werk die heel leerzaam en interessant zijn. Je ervaart bijvoorbeeld hoe de maatschappij en de overheid naar ons werk kijken. Je praat op een totaal ander niveau over je werk. Dat is soms lastig, maar vaak een leuke uitdaging.”

Mooie prestatie

Dat alle inspanningen uiteindelijk ‘slechts’ 11 nieuwe opleidingsplaatsen hebben opgeleverd, vindt Brenner toch een mooie prestatie. “Het is een stijging van 20%. Ik denk dat in de toekomst wel meer plekken nodig zijn, maar het is fantastisch dat we nu dit aantal hebben gekregen. Bedenk wel dat er ook extra opleiders voor nodig zijn. Aan deze organisatorische verandering zullen we misschien even moeten wennen. Er zijn gelukkig veel opleidingslocaties met veel expertise, dus het lijkt me dat we dat wel aankunnen. Dit is in ieder geval een mooie eerste stap.”