Op 8 mei 2026 nam hoogleraar reumatologie dr. Hendrika Bootsma afscheid van het UMCG. Zij heeft haar academische leven voornamelijk gewijd aan systemische auto-immuunziekten, in het bijzonder de ziekte van Sjögren en systemische lupus erythematodes (SLE). Geen beter moment dan dit om daarop met haar terug te kijken, maar zeker ook een blik vooruit te werpen naar de talrijke nieuwe behandelingen die in het verschiet liggen. “Laat geen arts ooit nog zeggen: het is maar Sjögren.”
Het gebeurt nog steeds, weet prof. dr. Bootsma, dat een arts tegen een patiënt zegt: U heeft slechts de ziekte van Sjögren. Of: Het is een vrij milde ziekte. “Dat zou een arts niet zeggen die zelf een extreem droge mond en extreem droge ogen heeft, vermoeid is, en een kans van 40 tot 50% heeft op het krijgen van systemische uitingen. De ziekte van Sjögren kan leiden tot zeer ernstige complicaties met betrokkenheid van onder meer de nieren en het zenuwstelsel. Ik hoop zeer actief te hebben bijgedragen aan het besef dat het een serieuze auto-immuunziekte is. We zijn de afgelopen 30 jaar veel te weten gekomen over de pathogenese, de betrokken antistoffen, en mogelijke aangrijpingspunten voor behandeling.” Desondanks krijgen patiënten soms ook te horen dat er aan hun ziekte niet zo veel te doen is. “Ook dat is onwaar. De beschikbare medicijnen zijn weliswaar off-label, maar ze werken wel. En ik ben blij dat er momenteel veel medicijnen in de pijplijn zitten specifiek voor mensen met systemische auto-immuunziekten, in het bijzonder voor de ziekte van Sjögren.”
Uitzonderlijke bijdrage
Bij haar afscheid is Bootsma benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Ze ontving de bijbehorende onderscheiding uit handen van burgemeester Roelien Kamminga van Groningen, als erkenning voor haar uitzonderlijke bijdrage aan academische zorg, onderzoek, onderwijs, beleid en bestuur. Betrokken bij onderzoek – bijvoorbeeld het regelen van grants – en promoties blijft ze nog enige tijd; ook is Bootsma nog verbonden aan de Nederlandse, de Europese en de Amerikaanse patiëntenvereniging voor Sjögren. Wel voorbij is de directe patiëntenzorg. “Daar ligt mijn hart, dus dat vind ik jammer.”
Daartegenover staat meer ruimte voor reizen, muziek en sport: “Er staan reizen naar Nepal en Japan op de planning. Ik heb jaren dwarsfluit gespeeld en kan dat weer oppakken. Sporten is altijd een passie geweest en dat ben ik mijn hele werkzame leven blijven doen. Het is een groot goed nu meer buiten te kunnen zijn. Ik ben een actieve roeier. Nu elke dinsdagochtend in een bootje op het water te kunnen zitten, beschouw ik als een soort luxe.”
Belangstelling aangewakkerd
Terug naar het Leiden van de jaren 80. Bootsma kreeg er colleges van de internist-infectioloog prof. dr. Van Furth, die inspirerend vertelde over de immunologie. “Dit is het vakgebied in de geneeskunde waar de komende 30, 40 jaar veel gaat gebeuren, zei hij. Dat heeft mijn belangstelling voor de immunologie en in het bijzonder voor systemische auto-immuunziekten gewekt.” Aanvankelijk spitste die belangstelling zich toe op SLE, waarop Bootsma ook promoveerde. Ze kreeg daarnaast steeds meer interesse voor de ziekte (toen nog het syndroom) van Sjögren. “Dat de impact van deze aandoening onderschat werd en wordt, heeft mijn belangstelling aan het begin van mijn carrière beslist aangewakkerd. Het is na reumatoïde artritis de meest voorkomende systemische auto-immuunziekte, maar werd veel minder serieus genomen. Dat kan te maken hebben gehad met het zeer beperkte behandelarsenaal en ook met de soms relatief trage ziekteprogressie. Bij RA zie je vaker exacerbaties, maar die zijn er ook bij Sjögren. Als er andere organen bij betrokken raken, zie je nog weleens dat de ziekte opeens een ander label krijgt. Bij de ontwikkeling van een glomerulonefritis wordt de Sjögren dan bijvoorbeeld opeens een SLE genoemd. Dat kan ook iets te maken hebben met de toegankelijkheid tot medicijnen. Tot op heden zijn ze allemaal off-label, maar de ervaringen ermee zijn zeker toegenomen. En in de afgelopen jaren zijn er gelukkig veel meer trials met positieve signalen.”
CRESS als nieuwe uitkomstmaat
PubMed telt meer dan 300 publicaties waaraan Bootsma heeft meegewerkt. Desgevraagd belicht ze er een paar. De eerste is een – nog steeds geciteerde – studie uit 1994 naar een strategie om relapses van SLE te voorkomen.1 “Het betrof een samenwerking tussen Groningen, Utrecht en Amsterdam. We wisten dat relapses vaak vooraf werden gegaan door een stijging van antilichamen tegen dubbelstrengs-DNA. We konden aantonen dat patiënten, nog zonder klinische kenmerken van een opvlamming, die vroegtijdig prednison kregen op geleide van een significante titerstijging van anti-dubbelstrengs DNA, significant minder relapses kregen dan de controlegroep, die de gebruikelijke behandeling kreeg.”
Voor de ziekte van Sjögren noemt Bootsma de ontwikkeling en validatie van een nieuw samengestelde uitkomstmaat: de zogeheten Composite of Relevant Endpoints for Sjögren’s Syndrome (CRESS).2
Veel trials gebruikten EULAR Sjögren’s Syndrome Disease Activity Index (ESSDAI) als primair eindpunt. “Een internationaal consortium meende dat de ESSDAI onvoldoende recht deed aan de complexiteit en diversiteit van de ziekte van Sjögren. Binnen het UMCG hebben wij daarom de CRESS ontwikkeld, die 5 items liet meewegen bij het bepalen van de behandelrespons. Retrospectief bleken middelen als abatacept en rituximab, gemeten met CRESS, wel degelijk effectief; alleen tocilizumab was en bleef niet effectief.”
Bootsma voegt toe dat hetzelfde consortium een tweede samengestelde score heeft ontwikkeld om de behandelrespons op medicijnen bij de ziekte van Sjögren te evalueren: de Sjögren’s Tool for Assessing Response (STAR).3 “Deze lijkt veel op CRESS. De toekomst zal uitwijzen welke van de twee de meest sensitieve is, of dat ze complementair zijn.”
Zicht op nieuwe behandelingen
De medicamenteuze therapieën die bij de ziekte van Sjögren worden ingezet, zijn vooralsnog off-label. Bootsma noemt met name hydroxychloroquine, rituximab, mycofenolaatmofetil, leflunomide, cyclofosfamide en abatacept. “Deze middelen zijn effectief; ik heb de afgelopen 25 jaar mijn steentje bijgedragen aan onderzoek daarnaar.” Aan de horizon ziet ze veel middelen die specifiek voor de ziekte van Sjögren worden ontwikkeld en/of getest. Bootsma ziet vooral 2 (mogelijk complementaire) lijnen met veel potentie: het targeten van interferon en van B-cellen. De betreffende trials profiteren van het werk van onder meer Bootsma rond classificatiecriteria en uitkomstmaten.
“Wij hebben zelf recent een klinische fase II-studie met de interferon 1-receptorantagonist anifrolumab afgerond, waarvan de resultaten binnenkort gepubliceerd worden. Anifrolumab is al geregistreerd voor SLE en lijkt eveneens veelbelovend bij Sjögren. In onze studie met CRESS als eindpunt liet het bij Sjögren een respons van 80% zien, versus 30% bij placebo. Je kunt ook tirosinekinase-2 remmen, waarmee eveneens de interferon-pathway wordt geremd, zoals het orale deucravacitinib doet. Dit middel wordt onderzocht in de POETYK Sjs-1-studie, waarvan we de resultaten denk ik binnen 6 maanden gaan horen. Verder is er ianalumab, dat zowel de interactie remt tussen de B-cel activerende factor BAFF en de receptor ervan, BAFF-R, en het aantal B-cellen vermindert. Het heeft in 2 studies een positief resultaat laten zien.4 Dan zijn er nog middelen die aangrijpen op de neonatale Fc-receptor (FcRn) en daarmee direct het IgG-gehalte verlagen, met name nipocalimab en efgartigimod. Beide hebben al goede resultaten laten zien.5,6 Ook is er een door het NECESSITY-consortium opgezette trial die hydroxychloroquine met mycofenolaatmofetil of met leflunomide combineert. (De resultaten zijn gepresenteerd op het ISSjD-congres van 2026 in Parijs – red.) En zoals voor alle systemische auto-immuunziekten, wordt er gedacht aan behandeling met CAR T-cellen en met T-cel-engagers. Maar registratie van de hiervoor genoemde middelen kan al een enorme stap voorwaarts betekenen voor patiënten met de ziekte van Sjögren.”
Brede basiskennis
Tot slot moet Bootsma iets van het hart over de opleiding en het kennisniveau van reumatologen.
“Ik pleit sterk voor een brede opleiding. Er gaan stemmen op om de internistische periode te verkorten ten faveure van de reumatologische. Ik ben daar niet gelukkig mee. Hoe breder je kennis bij aanvang, hoe makkelijker het is om nieuwe, specialistische kennis een plek te geven. En je kunt je hele carrière blijven bijleren: dat lijkt me een belangrijke opdracht voor iedere specialist. Dus enerzijds treed je de patiënt tegemoet als generalist, en let je als reumatoloog ook op manifestaties in de nieren, huid, ogen, longen, enzovoort; anderzijds is een uitgebreide multidisciplinaire samenwerking van groot belang. En natuurlijk is het belangrijk expertisecentra te hebben, omdat sommige patiënten zeer complex zijn. Maar waak als medisch specialist voor een smal blikveld. Je kennis van andere ziektebeelden verrijkt je eigen expertise.”
Beschrijvende diagnose
Sinds 2025 wordt officieel gesproken van de ziekte (niet meer het syndroom) van Sjögren. Dit omdat de kennis over de pathogenese is toegenomen, bekend is welke antistoffen bij deze ziekte voorkomen, en het patroon van systemische uitingen bekend is. Bootsma denkt dat benamingen als de ziekte van Sjögren, SLE of sclerodermie ook zullen verdwijnen. “Mogelijk worden ze vervangen door een beschrijvende diagnose, zoals: een systemische auto-immuunziekte met de volgende klinische verschijnselen, kenmerken in het bloed, kenmerken bij flow-cytometrie en bevindingen in het biopt. Zo heb je het complete plaatje van de patiënt direct op je netvlies. Je hebt dan ook de aangrijpingspunten voor medicatie, gebaseerd op de pathogenese van de ziekte, goed voor ogen.” Ze geeft een voorbeeld: “Het MALT-lymfoom, een B-cellymfoom, komt bij 5 tot 10% van de patiënten voor. Dan kun je beter B-celremmende therapie geven, en niet T-celremmende therapie zoals methotrexaat, aangezien de B-cel dan nog meer ruimte krijgt om te expanderen.”
Referenties
- Bootsma H, Spronk P, Derksen R, et al. Prevention of relapses in systemic lupus erythematosus. Lancet. 1995;345:1595-9.
- Arends S, de Wolff L, van Nimwegen FJ, et al. Composite of Relevant Endpoints for Sjögren’s Syndrome (CRESS): development and validation of a novel outcome measure. Lancet Rheumatol. 2021;3:e553-62.
- Seror R, Baron G, Camus M, et al. Development and preliminary validation of the Sjögren’s Tool for Assessing Response (STAR): a consensual composite score for assessing treatment effect in primary Sjögren’s syndrome. Ann Rheum Dis. 2022;81:979-89.
- Grader-Beck T, Mariette X, Finzel S, et al. Ianalumab demonstrates significant reduction in disease activity in patients with Sjögren’s disease: Efficacy and safety results from two global Phase 3, randomized, placebo-controlled double-blind studies (NEPTUNUS-1 and NEPTUNUS-2). Presented at: ACR Convergence 2025; October 24-29; Chicago, Illinois. Abstract #LB24.
- Noaiseh G, Sivils KL, Campbell K, et al. Efficacy and safety of nipocalimab in patients with moderate-to-severe Sjögren’s disease (DAHLIAS): a randomised, phase 2, placebo-controlled, double-blind trial. Lancet. 2025;406:2435-48.
- Peene I, Verstappen GM, Arends S, et al. Efgartigimod in Sjögren’s disease: a phase 2, randomised, placebo-controlled, parallel-group, double-blinded, proof-of-concept study (RHO). Ann Rheum Dis. 2026;85:1341-50.