Suzanne Kuijpers promoveerde op 23 april 2026 aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift met de titel ‘In-hospital antibiotic stewardship: from evidence to action’. Als promotor trad op: prof. dr. Jan M. Prins. Copromotoren waren dr. Kim C.E. Sigaloff en dr. Reinier M. van Hest. Dr. Kuijpers werkt nu als aios interne geneeskunde in het Zaans Medisch Centrum.
Wat was het doel van je promotieonderzoek? Antibioticaresistentie is wereldwijd een groeiend probleem, terwijl de ontwikkeling van nieuwe middelen achterblijft. A-teams proberen daarom het antibioticagebruik te optimaliseren: zoals het juiste middel, in de juiste dosering, via de juiste toedieningsweg en gedurende de juiste duur. In het eerste deel van mijn proefschrift heb ik de wetenschappelijke basis voor verantwoord antibioticagebruik onderzocht, onder andere de behandelduur van luchtweginfecties. In het tweede deel heb ik gekeken hoe deze kennis daadwerkelijk in de praktijk kan worden gebracht, door instrumenten te ontwikkelen om overmatig antibioticagebruik te signaleren en door de opleiding van toekomstige stewards te evalueren.
Wat wil jij dat de klinische dokter van jouw onderzoek weet? Dat er voor veel veelvoorkomende infecties, zoals een buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie of COPD-exacerbatie, voldoende bewijs is voor een behandelduur van vijf dagen bij klinische verbetering. Toch laat de praktijk keer op keer zien dat kuren nog vaak langer worden voorgeschreven dan de richtlijn adviseert. Deze voorschrijfgewoonte blijkt hardnekkiger dan het onderliggende bewijs rechtvaardigt. Dit bewijs voor een kortere behandelduur geldt echter niet voor alle infecties: bij complexere en zeldzamere infecties ontbreekt het bewijs nog, en is voorzichtigheid met verkorten wel op zijn plaats.
Wat was het meest frustrerende onderdeel van je onderzoek? Nadat we in het Amsterdam UMC hadden laten zien dat het semi-geautomatiseerd extraheren van de behandelduur en indicatie van behandelde infecties uit het EPD haalbaar was, wilden we deze aanpak opschalen naar meerdere regionale ziekenhuizen om data onderling te kunnen gebruiken als benchmark. In de praktijk bleek dit veel lastiger dan verwacht: registratie van indicaties verliep inconsistent of alleen als vrije tekst, data over ontslagmedicatie ontbrak, en de datavalidatie bleek erg arbeidsintensief. Uiteindelijk hebben we onze oorspronkelijke doelstelling niet gehaald. Het was frustrerend om te merken dat een methode die in één ziekenhuis goed werkte, uiteindelijk in meerdere zorginstellingen op zoveel praktische barrières stuitte.
Welk moment of inzicht bracht een doorbraak? Die tegenslag met de regionale uitbreiding bracht uiteindelijk wel een belangrijk inzicht: het bepalen van de juiste indicatie blijkt dé bottleneck binnen AMS-surveillance. Klassieke meetmethodes zoals de defined daily dose (DDD) of days of therapy (DOT) zeggen wel iets over de hoeveelheid antibiotica die wordt gebruikt, maar niets over of die behandeling ook volgens de geldende richtlijn was. Toen we in een verkennende literatuurstudie zagen dat internationaal nog altijd bijna de helft van de onderzoeken indicaties handmatig achterhaalt, en dat automatische methoden zoals het gebruik van vrije tekst uit patiëntendossiers nog nauwelijks worden benut, werd duidelijk dat we moeten kijken naar andere schaalbare, betrouwbare manieren om de indicatie voor een antibioticumkuur vast te leggen.
Welke vervolgvraag of -vragen komen uit jouw onderzoek voort? Voor de complexere infecties blijft onderzoek naar de optimale behandelduur nodig, al is dit door de heterogeniteit van patiënten en de beperkte patiënten aantallen niet eenvoudig. Voor de veelvoorkomende infecties ligt de uitdaging niet meer zozeer bij het bewijzen dat een nog kortere behandelduur ook effectief is maar bij het juist implementeren van het bestaande bewijs. Ik denk dat het gebruik van onze al bestaande data uit medische dossiers, bijvoorbeeld met behulp van large language models, hierin veel potentie heeft om op grote schaal de indicatie en gepastheid van antibioticagebruik te achterhalen. Daarnaast zou ik graag zien dat initiatieven zoals de landelijke Antimicrobial Stewardship Monitor van de SWAB worden uitgebreid met deze indicatie-informatie, zodat ziekenhuizen niet alleen de hoeveelheid, maar ook de kwaliteit van hun antibioticagebruik onderling kunnen vergelijken. Dit als opstap naar het kunnen opzetten van gerichte interventies.
Wat neem je zelf mee uit jouw promotieonderzoek? Wat zijn jouw volgende stappen? Wat mij het meest is bijgebleven, is dat stewardship pas echt impact heeft wanneer bewijs, monitoring én de betrokkenheid van clinici op de werkvloer samenkomen. Ons project op de hematologieafdeling liet zien dat een goed onderbouwde en samen met de behandelaars vormgegeven interventie ook bij kwetsbare patiënten veilig minder antibiotica kan opleveren. Datzelfde geldt voor het opleiden van nieuwe stewards: kennis alleen is niet genoeg, het gaat om de vertaalslag naar een concreet project in de eigen praktijk.