De resultaten van een Amerikaanse retrospectieve studie suggereren dat kortdurend gebruik van corticosteroïden bij volwassenen met diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL) voorafgaand aan een biopsie de diagnostische opbrengst niet vermindert en niet leidt tot vertraging van de start van de behandeling. Het type biopsie bleek de belangrijkste factor voor diagnostisch succes.
In deze retrospectieve case series werden 320 volwassen patiënten met nieuw gediagnosticeerd DLBCL geïncludeerd (2015-2024). De gemiddelde leeftijd was 68 jaar (SD 14) en 51% van de patiënten was vrouw. In totaal ontvingen 48 patiënten (15%) corticosteroïden binnen 30 dagen voorafgaand aan de biopsie. De diagnostische opbrengst was 83% (40 van 48 patiënten) in de steroïd-groep en 81% (221 van 272) in de niet-steroïd-groep, zonder statistisch significant verschil (prevalentieratio (PR) 1,03; 95%-BI 0,89-1,18). Bij patiënten met een negatieve eerste biopsie werd geen significant verschil waargenomen tussen beide groepen in de tijd tot de start van de behandeling. Ook was er geen verschil in histologische kenmerken tussen patiënten die wel of geen corticosteroïden hadden gekregen.
Er werd geen significante associatie waargenomen tussen de diagnostische opbrengst en de totale steroïddosis, de duur van het steroïdgebruik of het aantal dagen zonder steroïden voorafgaand aan de biopsie. Het type biopsie was wel geassocieerd met de diagnostische opbrengst. Vergeleken met excisie- en incisiebiopten waren dikkenaaldbiopten en fijnenaaldaspiratie respectievelijk 12% (PR 0,88; 95%-BI 0,81-0,96; p = 0,01) en 69% (PR 0,31; 95%-BI 0,18-0,63; p < 0,001) minder vaak diagnostisch.
De auteurs concluderen dat verder (prospectief) onderzoek nodig is om deze bevindingen te valideren en om evidence-based klinische besluitvorming te bevorderen.
Bron: