Van alle zwangere dialysepatiënten die tussen 2000 en 2020 in de Verenigde Staten bevielen, kreeg 1 op de 3 te maken met ernstige maternale morbiditeit, zo blijkt uit analyses van Kucirka et al. Zij toonden bovendien aan dat ernstige maternale morbiditeit samenhing met een hogere mortaliteit en een langere wachttijd tot niertransplantatie in de jaren na de bevalling.
Zwangere vrouwen die behandeld worden met dialyse lopen een hoog risico op ongunstige zwangerschapsuitkomsten. Hoe vaak ernstige maternale morbiditeit precies voorkomt bij deze vrouwen was echter nog onbekend, net als de associaties tussen ernstige maternale morbiditeit enerzijds en wachttijden voor niertransplantatie en mortaliteit anderzijds. In deze grote cohortstudie analyseerden de onderzoekers gegevens van USRDS (United States Renal Data System) over vrouwen die tussen 2000 en 2020 bevallen zijn terwijl ze chronische dialysebehandeling ondergingen. Ze beoordeelden of in de periode vanaf 4 weken voor de bevalling tot 6 weken na de bevalling ernstige maternale morbiditeit (niet gerelateerd aan de nieren) optrad, zoals gedefinieerd door de Amerikaanse CDC (Centers for Disease Control and Prevention).
In totaal ondervonden 332 van de 986 zwangere vrouwen (34%) en 342 van de 1.082 geboorten (32%) ten minste één ernstige, niet-niergerelateerde maternale morbiditeit. De meest voorkomende waren bloedtransfusie (16% van alle geboorten), longoedeem/acuut hartfalen (10%), sepsis (6%) en acute respiratory distress-syndroom (ARDS; 5%). Risicofactoren hiervoor waren onder andere een zwarte of andere/onbekende etniciteit, BMI hoger dan 35 kg/m² en starten van dialyse binnen 1 jaar voor de bevalling. In de daaropvolgende jaren bleek een voorgeschiedenis van ernstige maternale morbiditeit samen te hangen met een hoger sterfterisico (gecorrigeerde HR 1,69; 95%-BI 1,30-2,19) en een lagere kans op een niertransplantatie (0,76; 95%-BI 0,59-0,97).
Bron: