Op 7 januari 2026 promoveerde Manon Vreeburg aan de Vrije Universiteit Amsterdam op haar proefschrift ‘Evolving Penile Cancer Care: Advancement of Treatment Outcomes and Patient Well-being’. Als promotoren traden op prof. dr. H.G. van der Poel en prof dr. F.W.B. van Leeuwen; copromotor was dr. O.R. Brouwer. Manon Vreeburg is momenteel werkzaam als aios chirurgie (vooropleiding urologie) in het Alrijne Ziekenhuis in Leiden.
Wat was het doel van je promotieonderzoek?
Het doel was om de zorg voor mannen met peniskanker te verbeteren door de hele zorgketen in kaart te brengen: van centralisatie en diagnostiek tot behandeling, follow-up en kwaliteit van leven. Ik wilde laten zien wat de meerwaarde is van concentratie van zorg in expertcentra, hoe we de sentinel node-procedure en beeldvorming verder kunnen optimaliseren, en bij welke patiënten de follow-up minder intensief maar toch veilig kan. Uiteindelijk was het doel om de balans tussen oncologische veiligheid en kwaliteit van leven beter te krijgen.
Wat wil jij dat de klinische dokter van jouw onderzoek weet?
Ik zou willen dat collega’s peniskanker beter en vroegtijdiger gaan herkennen, zodat patiënten niet onnodig lang hoeven wachten op de juiste behandeling. Hoewel peniskanker zeldzaam is, is de incidentie aan het stijgen en zien we dat behandeling in expertisecentra er echt toe doet. Daarnaast is het belangrijk om te weten dat wij het ‘Nederlands peniskankernetwerk’ hebben opgericht, met 4 betrokken ziekenhuizen (Rijnstate, UMC Groningen, Erasmus MC en Antoni van Leeuwenhoek). Zodra een patiënt de diagnose (of verdenking op) peniskanker heeft gekregen kan hij doorverwezen worden naar een van deze centra voor verdere behandeling.
Verder laat mijn onderzoek zien dat de sentinel node-procedure, mits goed uitgevoerd, veilig en effectief is en dat we bij geselecteerde laagrisicopatiënten de follow-up kunnen versimpelen, zonder oncologische concessies. Ook is het belangrijk om expliciet aandacht te hebben voor seksualiteit, lichaamsbeeld en psychisch welzijn; dat hoort bij de standaardzorg, niet alleen bij ‘geïnteresseerde’ dokters.
Wat was het meest frustrerende onderdeel van je onderzoek?
Het meest frustrerend vond ik de combinatie van zeldzaamheid en heterogeniteit: aantallen zijn klein, tijdspaden lang en registraties niet altijd volledig of uniform. Daardoor kost het vaak veel moeite om relatief eenvoudige klinische vragen te beantwoorden. Daarnaast was het soms frustrerend om te zien dat klinische implementatie achterblijft. Je laat met data zien dat centralisatie en gestandaardiseerde SN-techniek beter is, maar in de praktijk duurt het lang voordat richtlijnen en verwijspatronen meekomen. Aan de andere kant heeft mijn artikel over het gebruik van echografie in de follow-up van peniskankerpatiënten juist wél geleid tot een verandering van de internationale richtlijnen in 2026; dat is natuurlijk wel heel goed nieuws.
Welk moment/inzicht bracht een doorbraak?
Een doorbraak was het besef dat ‘minder’ zorg voor sommige patiënten juist betere, passender zorg is. Toen duidelijk werd dat bij cN0/pN0-patiënten de meeste klierrecidieven vroeg optreden en dat routinematige echo’s daarna weinig toevoegen, viel het kwartje dat we de follow-up substantieel kunnen versimpelen zonder veiligheid te verliezen. Een ander belangrijk inzicht uit mijn onderzoek is dat de seksuele tevredenheid na een peniskankeroperatie verbetert en dat veel patiënten weer seksueel actief worden. Dit contrasteert met andere urologische tumoren, waar seksuele tevredenheid en activiteit na een operatie meestal afnemen. Deze informatie was eerder niet beschikbaar en is cruciaal voor de counseling: we kunnen patiënten nu realistischer én hoopvoller informeren over hun seksuele functioneren na behandeling.
Wat is de vervolgvraag die voortkomt uit jouw onderzoek?
Een belangrijke vervolgvraag is hoe we de gevonden inzichten kunnen vertalen naar echt gepersonaliseerde zorg: welke patiënt heeft baat bij intensieve diagnostiek, behandeling en follow-up, en bij wie kan het juist minder? Daarnaast is meer onderzoek nodig naar de onderliggende biologische mechanismen, bijvoorbeeld bij skipmetastasen en ongunstige subgroepen, en naar interventies die kwaliteit van leven en seksuele gezondheid actief verbeteren. Ook zijn we bezig om het nationale peniskankernetwerk verder vorm te geven, met als doel: zorg centraal als het moet en dichtbij als het kan.
Wat neem je zelf mee uit jouw promotieonderzoek? Wat zijn jouw volgende stappen?
Ik neem vooral mee hoe waardevol het is om zeldzame ziekten echt te concentreren en samen te werken over centra en disciplines heen; de individuele patiënt merkt dat direct. Ook heb ik geleerd kritisch te kijken naar ‘zo doen we het nu eenmaal’ in follow-up en diagnostiek, en daar data tegenover te zetten. Op dit moment ben ik bezig met mijn vooropleiding bij de afdeling chirurgie. Het is fijn om me hier even goed op te kunnen focussen. En ondertussen blijf ik zeker betrokken bij het peniskankeronderzoek. We zijn nog bezig met een aantal lopende studies, die hopelijk binnenkort zullen verschijnen.