Onderzoekers concluderen in JAMA Oncology dat tweede primaire maligniteiten (SPM’s) een klinisch relevante complicatie van behandeling met bispecifieke antilichamen (BsAb’s) zijn. Meer gestandaardiseerde langetermijnrapportage is echter nodig om de risico’s nauwkeuriger te bepalen.
Bispecifieke T-cel-engagers (T-cell-engaging bispecific antibodies) worden steeds vaker toegepast bij B-cel non-hodgkinlymfoom (NHL) en multipel myeloom (MM). Hoewel SPM’s een belangrijk veiligheidssignaal op de lange termijn vormen, worden betrouwbare schattingen van de frequentie beperkt door kleine sample sizes, studies met 1 behandelarm, korte follow-up en heterogene rapportage. De onderzoekers doorzochten daarom PubMed en Embase t/m 1 oktober 2025 op klinische trials en real-world studies waarin volwassenen met NHL of MM werden behandeld met bispecifieke antilichamen en waarin uitkomsten met betrekking tot SPM’s werden gerapporteerd. De 3 uitkomstmaten waren: 1) totaal aantal gerapporteerde SPM’s, 2) SPM’s die leidden tot stopzetting van de behandeling, en 3) SPM’s die leidden tot overlijden.
Resultaten
| Uitkomst |
Studies/cohorten |
Patiënten |
Gepoolde schatting |
| Totaal gerapporteerde SPM’s | 8/10 | 1.003 | 3,5% (95%-BI 1,8-6,9) |
| SPM’s met stopzetting | 6/8 | 748 | 2,2% (95%-BI 1,5-3,1) |
| SPM’s met overlijden | 19/24 | 2.330 | 1,4% (95%-BI 1,1-1,9) |
Voor het totale aantal gerapporteerde SPM’s was de mediane follow-up 17,4 maanden. De ziektespecifieke schattingen waren 3,8% voor NHL en 3,4% voor MM. Bij verkennende meta-regressieanalyses bleken geen van de vooraf gespecificeerde covariabelen (follow-upduur, ziektecategorie, eerdere behandelcycli en leeftijd) geassocieerd te zijn met de schattingen van het totale aantal SPM’s.