Het effect van onderhoudstherapie met azitromycine bij COPD-patiënten is heterogeen. Daling van het gemiddeld aantal exacerbaties in eerdere trials wordt veroorzaakt door een subgroep van responders. Dat concludeert een internationale onderzoeksgroep uit België, Nederland en de VS, op basis van 5 eenvoudige parameters om het individuele behandeleffect te voorspellen.
Langdurige behandeling met azitromycine is bij COPD effectief in de preventie van acute exacerbaties. Om onnodige blootstelling te minimaliseren, zijn patiënten gebaat bij betere identificatie van responders en niet-responders. De onderzoeksgroep wilde de heterogeniteit in het behandeleffect vaststellen en het individuele behandeleffect (ITE) inschatten, om zo patiënten te onderscheiden die het meest profiteren van profylactische behandeling. Zij gebruikten data van 1.025 patiënten uit de MACRO-trial om het ITE van azitromycine te bepalen op de jaarlijkse exacerbatieratio. Bevindingen werden onafhankelijk gevalideerd met data van 83 patiënten uit de COLUMBUS-trial.
Een derde van de patiënten met de best voorspelde ITE in het MACRO- en het COLUMBUS-cohort liet significante en substantieel grotere reductie zien in de jaarlijkse exacerbatieratio (MACRO -0,50; COLUMBUS: -2,28) vergeleken met het gemiddelde behandeleffect in het hele cohort (MACRO -0,35; COLUMBUS -1,28). Bij de andere twee derde van de patiënten werd geen significant behandeleffect waargenomen. Primaire ITE-parameters waren onder andere luchtwegsymptomen, aantal witte bloedcellen, hemoglobine, CRP en FVC. De rookstatus bleek geen significante voorspeller.
Bron: