Adjuvante methotrexaatbehandeling bij proliferatieve vitreoretinopathie

Delen via:
EURETINA 2026

Proliferatieve vitreoretinopathie is een bekend probleem na pars-planavitrectomie voor regmatogene netvliesloslating. Deze littekenvorming, die voorkomt bij ongeveer 10% van de patiënten, geeft kans op een nieuwe netvliesloslating. Een vergelijking tussen twee patiëntcohorten laat zien dat adjuvante methotrexaatbehandeling zo’n ongunstige herhaling mogelijk kan tegengaan.

Verschillende onderzoeken hebben zich gericht op adjuvante therapie bij pars-planavitrectomie (PPV) voor regmatogene netvliesloslating, om verergering van proliferatieve vitreoretinopathie en herhaalde netvliesloslating te voorkomen. Methotrexaat is de kandidaat met het meest overtuigende bewijs, maar de resultaten zijn niet eenduidig, vertelde Boris Stanzel {Augenklinik Saar, Sulzbach). Methotrexaat kan niet tegengaan dat bestaand littekenweefsel zich samentrekt, maar voorkomt mogelijk wel nieuwe littekenvorming en vermindert de proliferatie van lasercoagulaten.

Om meer inzicht te krijgen in de effecten van adjuvante methotrexaatbehandeling vergeleek Stanzel twee cohorten van patiënten met netvliesloslating en PVR. Het ITEMS-cohort bestond uit 72 patiënten die een PPV-behandeling hadden ondergaan met gebruik van siliconenolie. Zij hadden geen methotrexaat-behandeling gekregen. Het SIMPLER-cohort bestond uit 47 patiënten, die ook methotrexaat-behandeling hadden gekregen na een PPV, minimaal zeven injecties in twee maanden tijd.

Bij een nulmeting waren demografische variabelen vergelijkbaar tussen de cohorten, terwijl de visus iets beter was in het SIMPLER-cohort (p = 0,042). Verder hadden patiënten in het SIMPLER-cohort gemiddeld een uitgebreidere operatie ondergaan, met vaker een retinectomie. Ondanks de complexere chirurgische behandeling was de siliconenolie bij alle patiënten in het SIMPLER-cohort succesvol verwijderd, terwijl dit gold voor 87,3% van de patiënten in het ITEMS-cohort (p = 0,011). Verder had 2,4% van de patiënten in het SIMPLER-cohort binnen drie maanden een herhaalde netvliesloslating, tegenover 13% van de patiënten in het ITEMS-cohort. Dit verschil was niet-significant (p = 0,087). Stanzel concludeerde dat adjuvante methotrexaatbehandeling in deze studie tot betere uitkomsten leidde, ondanks een hogere operatieve belasting. Andere gegevens die gepresenteerd werden tijdens EURETINA 2026, ondersteunen deze resultaten echter niet.2

Bronnen:

  1. Stanzel B. Adjuvant pharmacotherapy: what really works in 2026. EURETINA 2026.
  2. EURETINA. Congress Highlights, Part 1: Gene therapy, a retinal implant and systemic clues. EURETINA 2026.