Op 22 april 2026 promoveerde B.M. (Birgit) Govers aan de Radboud Universiteit op haar proefschrift ‘Rhegmatogenous retinal detachment – etiology, treatment and prevention’. Als promotoren traden B.J. Klevering en A.I. den Hollander op, co-promotor was S. Keijser. Govers werkt momenteel als aios oogheelkunde in het Radboudumc.
In de afgelopen eeuw is de kennis over de pathogenese, risicofactoren en chirurgische behandeling van rhegmatogene netvliesloslatingen aanzienlijk toegenomen. Ondanks deze vooruitgang houden sommige patiënten na succesvolle anatomische behandeling blijvende visuele beperkingen, wat een grote impact heeft op hun kwaliteit van leven. Het voorkomen van permanente visuele schade blijft daarmee een belangrijke klinische uitdaging.
Govers: “In dit proefschrift heb ik dit doel benaderd vanuit drie invalshoeken: het begrijpen van de onderliggende oorzaken, het optimaliseren van de behandeling en preventieve strategieën.”
Etiologie
Genetische factoren spelen een veel grotere rol dan over het algemeen wordt aangenomen. Momenteel zijn er 29 genen bekend die geassocieerd zijn met een verhoogd risico op ablatio. Naast deze monogenetische oorzaken, spelen er bij de meeste patiënten meerdere kleine genetische varianten een rol. Multipele kleine genetische veranderingen (SNPs) verklaren ongeveer 25% van het erfelijk bepaalde risico op een netvliesloslating. Dit verhoogde genetisch risico is niet geheel te verklaren door myopie, welke een andere belangrijke risicofactor voor ablatio is. Het identificeren van al deze genetische factoren is essentieel om in de toekomst persoonlijke risicoscores te kunnen maken. Een persoonlijke risicoscore, op basis van klinische kenmerken en genetisch risico, zou uitermate behulpzaam zijn voor ‘personalized’ preventieve maatregelen.
“Daarnaast onderzochten we de rol van biochemische samenstelling van het glasvocht. Bij patiënten met een loslating identificeerde we significant verlaagde concentraties van hyaluronan, en juist verhoogde concentraties van chondroitine sulfaat (CS).” Deze verhoogde concentratie van chondroitine sulfate was echter voornamelijk toe te schrijven aan een stijging van niet-gesulfateerde CS groepen, terwijl de gesulfateerde CS significant verlaagd waren bij ablatio patiënten. Sulfaat groepen zijn essentieel voor de binding met andere extracellulaire matrix componenten. De verminderde CS sulfatering bij ablatio patiënten leidt vermoedelijk tot instabiliteit van het glasvocht, en kan daarmee een essentiële rol spelen in de pathogenese.
Behandeling
We evalueerde de effectiviteit van lucht versus gefluoreerde gas-tamponade in 872 ogen met primaire ablatio. Er was geen verschil in behandelsucces tussen lucht en gas tamponade, ook niet bij inferior gelokaliseerde scheuren. Lucht is daarmee een net zo succesvolle behandeloptie als gas tamponade, waarbij lucht gepaard gaat met minder complicaties en een duurzamer alternatief is.
De uitgebreidheid van de loslating is relevanter voor de keuze van tamponade dan de locatie van de netvlies scheur. Het recidief risico hangt sterk samen met de grootte van de loslating: hoe meer klokuren betrokken, hoe hoger het risico. Inferieure netvlies scheuren leiden vaak tot sluimerende ablatio’s met een groter oppervlak van loslating, en daarmee hoger recidief risico na behandeling. “Concluderend toonden wij aan dat lucht tamponade even succesvol is als gas tamponade bij de behandeling van ablatio, onafhankelijk van de locatie van defect. De grootte van de netvliesloslating, kan een uniforme en niet-subjectieve parameter zijn voor de afweging lucht of olie tamponade.”
Preventie
De grootste winst die nog te boeken is, ligt wellicht buiten het ziekenhuis: voorlichting aan hoog risico groepen. “In ons onderzoek toonden wij het belang van patiëntenvoorlichting aan, welke een gunstig effect op de visuele prognose na netvliesloslating kan hebben, door vroegtijdige herkenning en daardoor tijdige behandeling.” Patiënten die de ablatio alarmsymptomen herkenden, hadden significant vaker een aanliggende macula wat resulteert in een significant betere visuele uitkomst in vergelijking met patiënten die de symptomen niet herkende. Toch blijkt de kennis onder risicogroepen, zoals mensen met myopie, verrassend beperkt: slechts 15% was ooit geïnformeerd over het verhoogde risico op ablatio. Aangezien twee derde van de patiënten regelmatig een opticien bezocht voorafgaand aan de netvliesloslating, kunnen opticiens een cruciale rol spelen in het beperken van visus verlies, door gerichte voorlichting aan hoog-risico groepen zoals myopie.
Toekomst
In de toekomst zal genetische diagnostiek kunnen bijdragen aan ‘personalized-medicine’ met individuele risicoscores die een beslissende rol kunnen spelen bij preventieve maatregelen zoals laseren. Daarnaast zal een gedetailleerder begrip van de pathogenese op biochemisch niveau in het glasvocht kunnen bijdragen aan vernieuwde therapeutische mogelijkheden. Echter, vooral met de wereldwijde toename van myopie prevalentie, zal voorlichting aan hoogrisico individuen uiterst belangrijk zijn om visus verlies als gevolg van een netvliesloslating tot een minimum te beperken.