Een analyse van de UK Biobank suggereert dat plasma GFAP bij volwassenen van middelbare leeftijd kan wijzen op een verhoogd risico op veranderingen in de hersenen die samenhangen met cerebrale small vessel disease (cSVD). Dit suggereert dat GFAP mogelijk een vroege indicator voor kwetsbaarheid van de kleine hersenvaten is, jaren voordat klinische symptomen zoals beroerte of cognitieve achteruitgang optreden.
De onderzoekers analyseerden gegevens van 5.270 deelnemers van 40 tot 60 jaar zonder neurologische aandoeningen. Alle deelnemers hadden bij baseline metingen van plasma GFAP en neurofilament light chain (NfL) en kregen follow-up MRI-scans tussen 2014 en 2019, gemiddeld 9 jaar na de eerste meting.
Hogere baseline GFAP-niveaus bleken geassocieerd met de 3 belangrijkste MRI-markers van cSVD. Zo werd een hogere GFAP-concentratie geassocieerd met een groter volume aan wittestofhyperintensiteiten (WMH; β = 0,06, 95%-BI 0,01–0,10; p = 0,014), een hogere fractionele anisotropie (FA; β = 0,08, 95%-BI 0,03-0,13; p = 0,001) en een hogere gemiddelde diffusiviteit (MD; β = 0,14, 95%-BI 0,09-0,18; p < 0,001).
Bij 1.317 deelnemers met longitudinale MRI-gegevens bleek dat baseline GFAP ook geassocieerd was met progressie na 3 jaar. Zo nam FA toe met β = 0,012 (95%-BI 0,001-0,023; p = 0,033) en MD met β = 0,020 (95%-BI 0,003-0,038; p = 0,025). NfL toonde daarentegen geen significante associaties met de MRI-markers, en veranderingen in zowel GFAP als NfL over de tijd correleerden niet met gelijktijdige MRI-progressie.
Deze verbanden, die bijna 10 jaar na de biomarkerbepaling werden gezien, laten het potentieel van GFAP voor risicostratificatie op de lange termijn zien. Biomarkers in het bloed kunnen helpen bij het vroeger identificeren van mensen met een verhoogd risico op cSVD, waardoor preventieve strategieën kunnen worden ingezet op het moment dat interventies het meest effectief zijn.
Bron: