Een Nederlandse studie toont een hoge prevalentie van het post-longemboliesyndroom bij kinderen met een longembolie. De bevindingen benadrukken het belang van een gestructureerde, multidisciplinaire follow-up, aldus de onderzoekers in The Lancet Hematology.
Het doel van deze retrospectieve cohortstudie was om de prevalentie van post-longemboliesyndroom bij kinderen met een longembolie te bepalen en om klinische factoren te identificeren die zijn geassocieerd met fysieke beperkingen tijdens de follow-up. Hiervoor werden uit elektronische patiëntendossiers klinische en follow-upgegevens geëxtraheerd van kinderen (0-18 jaar) die tussen 2012 en 2022 werden behandeld voor een symptomatische longembolie in 6 kinderziekenhuizen in Nederland. De primaire uitkomstmaat was de prevalentie van het post-longemboliesyndroom na 3 maanden, 1 jaar en 2 jaar. De secundaire uitkomstmaat was fysieke beperking na 1 jaar.
In totaal werden 178 kinderen met longembolie (65% vrouw; mediane leeftijd 15,0 jaar) opgenomen in de studie. Alle deelnemers voltooiden de follow-up na 3 maanden, 167 (94%) de follow-up na 1 jaar en 165 (93%) na 2 jaar. 63 patiënten (35%) ontwikkelden binnen 2 jaar post-longemboliesyndroom. De prevalentie was 35% na 3 maanden, 24% na 1 jaar en 16% na 2 jaar. Klinische factoren geassocieerd met fysieke beperkingen na 1 jaar waren onder meer incomplete trombusresolutie (OR 3,8; p = 0,0090), ic-opname (OR 2,8; p = 0,017), longembolie met intermediair of hoog risico (OR 4,1; p = 0,0010), comorbiditeit (OR 2,9; p = 0,010), lopende behandeling (OR 2,8; p = 0,016) en psychische stress na 3 maanden (OR 4,3; p = 0,0010). Ten minste 3 keer per week bewegen verlaagde het risico op fysieke beperkingen (OR 0,31; p = 0,0090).
Bron: