Snelle implementatie van optimale medicamenteuze therapie bij patiënten met hartfalen is haalbaar in de dagelijkse cardiologische praktijk en hangt samen met minder ziekenhuisopnamen wegens hartfalen, bezoeken aan de spoedeisende hulp en cardiovasculaire sterfte.1
Doel van dit onderzoek was het identificeren van voorspellers voor het bereiken van optimale medicamenteuze therapie (OMT) en het evalueren van de associatie tussen de tijd tot implementatie van OMT en een primair samengesteld eindpunt van totale ziekenhuisopnamen wegens hartfalen (HF) gedurende 12 maanden, bezoeken aan de spoedeisende hulp en cardiovasculaire (CV)-sterfte, evenals een secundair eindpunt van sterfte door alle oorzaken. Hiervoor werd gebruikgemaakt van
gegevens van 5.203 ambulante en opgenomen patiënten met HF die waren geïncludeerd in de multicenter observationele BRING-UP-3 HF-studie.
Na een educatieve interventie en gestructureerde patiëntregistratie steeg het gebruik van optimale medicamenteuze therapie binnen 12 maanden van 42,1% naar 65,3%. Bij patiënten met HF met verminderde ejectiefractie (HFrEF) nam het gebruik van angiotensinereceptorneprilysineremmers (ARNi) toe van 53,4% naar 74,2%. Ook het gebruik van natriumglucosecotransporter-2-remmers (SGLT2-remmers) steeg duidelijk in alle HF fenotypen. Optimale therapie werd gedefinieerd als de zogenoemde vierpijlertherapie bij patiënten met HFrEF en HF met verbeterde ejectiefractie (HFimpEF), en als behandeling met een SGLT2-remmer bij patiënten met HF met licht verminderde ejectiefractie (HFmrEF) of behouden ejectiefractie (HFpEF). Factoren die samenhingen met een lagere kans op het bereiken van optimale therapie waren hogere leeftijd, vrouwelijk geslacht, ziekenhuisopname bij inclusie en een lagere geschatte glomerulaire filtratiesnelheid. Het primaire samengestelde eindpunt trad op bij 20,7% van de patiënten. Dit eindpunt bestond uit totale ziekenhuisopnamen wegens HF, bezoeken aan de spoedeisende hulp en CV-sterfte binnen 12 maanden. Optimale therapie was onafhankelijk geassocieerd met een lagere kans op dit eindpunt (aangepaste incident rate ratio (IRR) 0,86; 95%-BI 0,78-0,94). Vooral langere blootstelling leek relevant: patiënten die meer dan 200 dagen optimale therapie kregen, hadden een lager risico dan patiënten met een kortere behandelduur (IRR 0,75 versus 0,90). Ook de sterfte door alle oorzaken was lager bij optimale therapie (HR 0,73; 95%-BI 0,59-0,91).
Bron:
Basile C, Orso F, Oliva F, et al. Early achievement of optimal medical therapy and its impact on survival and morbidity: results from a nationwide implementation science study (BRING-UP-3 HF). Heart Failure Congress 2026, Rapid Fire Abstracts.