Onderzoekers van onder meer Amsterdam UMC hebben aangetoond dat AcTau174 in hersenvocht kan helpen om onderscheid te maken tussen 2 onderliggende oorzaken van frontotemporale dementie (FTD). De resultaten zijn gepubliceerd in Nature Medicine.
FTD is een verzamelnaam voor een groep aandoeningen die vooral gedrag, executieve functies en taal aantasten. Onderliggend wordt FTD gekenmerkt door frontotemporale lobaire degeneratie (FTLD), waarbij sprake kan zijn van ophoping van verschillende eiwitten, met name TDP-43 of tau.
Het was nog niet mogelijk om tijdens het leven onderscheid te maken tussen tau- of TDP-pathologie. Hierdoor komen patiënten niet in aanmerking voor deelname aan klinische studies gericht op specifieke eiwitafwijkingen. In deze studie werd geacetyleerd tau op lysine 174 (AcTau174) in CSF onderzocht als biomarker voor FTLD met tau-pathologie.
In het Amsterdam Dementia Cohort (n = 513) waren de AcTau174-concentraties hoger in alle dementiegroepen (FTLD-TDP, FTLD-tau, ziekte van Alzheimer (AD), milde cognitieve stoornis (MCI)-AD en ‘Lewy body’-dementie (LBD)) vergeleken met de controlegroep. De grootste toename werd echter waargenomen in de FTLD-TDP-groep, vooral bij patiënten met de semantische variant van primaire progressieve afasie (svPPA) en dragers van GRN-mutaties. AcTau174 kon gebruikt worden om FTLD-TDP met een hoge nauwkeurigheid te onderscheiden van FTLD-tau (AUC = 0,83) en van controles (AUC = 0,95). Deze bevinding werd gerepliceerd in onafhankelijke validatiecohorten (164 patiënten en 24 controles), hoewel met een iets lagere nauwkeurigheid (FTLD-TDP versus FTLD-tau: AUC = 0,75-0,79) en bredere betrouwbaarheidsintervallen. Binnen de FTLD-TDP-, AD- en MCI-AD-groepen waren hogere AcTau174-concentraties bovendien geassocieerd met een snellere cognitieve achteruitgang.
Bron: