Cholesterol-afgeleide biomarkers uit de hoornlaag blijken op zichzelf onvoldoende om allergische en irritatieve contactdermatitis betrouwbaar van elkaar te onderscheiden, maar laten wel ziektespecifieke patronen zien die waardevol kunnen zijn in toekomstige diagnostische modellen. Dat blijkt uit een recente studie van het Amsterdam UMC.
Contactdermatitis is een veelvoorkomende inflammatoire huidaandoening waarbij het onderscheid tussen allergische contactdermatitis (ACD) en irritatieve contactdermatitis (ICD) vaak lastig is. De onderzoekers richtten zich op cholesterolderivaten, aangezien deze een belangrijke rol spelen in de huidbarrière en ontstekingsprocessen.
Ze analyseerden monsters uit de stratum corneum van zowel experimenteel geïnduceerde als chronische laesies en van niet-laesionele huid. Daarbij werden cholesterol sulfaat (Chol-Sulf), cholesterol glucosyl (Chol-Glc) en de verhouding tussen beide biomarkers gekwantificeerd.
Chol-Glc en met name de Chol-Glc/Chol-Sulf-ratio verschilden significant tussen de diagnostische groepen, terwijl Chol-Sulf op zichzelf geen onderscheidend vermogen had. Hoewel deze biomarkers ziektespecifieke patronen laten zien die passen bij barrièredisfunctie en inflammatie, bleek de diagnostische accuratesse beperkt.
In analyses bleven de AUC-waarden van de individuele biomarkers onder de 0,6, wat toepassing als zelfstandige diagnostische test uitsluit. De auteurs concluderen daarom dat de biomarkers vooral potentie hebben als onderdeel van multivariate diagnostische modellen, in combinatie met klinische kenmerken en andere barrièremarkers.
Bron: