Op 1 juni 2024 is prof. dr. P.C.J.L. (Patricia) Bruijning-Verhagen benoemd tot hoogleraar vaccinatie- en infectiebestrijdingsepidemiologie (UMC Utrecht). Afgelopen juni hield ze onder de titel Metamorfosen haar oratie. Naast haar wetenschappelijke onderzoek heeft ze ook oog voor het enorme belang van communicatie over vaccinatie. “Het onderwerp mag in de spreekkamer van de huisarts vaker ter sprake komen.”
Bruijning maakte al lang voor haar hoogleraarschap naam met haar activiteiten op het gebied van het ontwerpen en evalueren van optimaal infectiepreventiebeleid door middel van vaccinatie. Toch besteedt ze ook heel veel aandacht aan een onderdeel van haar vak waarvoor nu nog geen vaccinatieonderzoek mogelijk is: emerging infections die op dit moment nog geen gezondheidsprobleem vormen. “Wat we op dit gebied al wel kunnen doen”, zegt ze, “is zorgen voor pandemische paraatheid voor het moment dat het tot een uitbraak komt. Mensen bij elkaar brengen, protocollen schrijven, zorgen dat we er klaar voor zijn als het nodig is.”
De coronapandemie was hiervoor een belangrijke les. “Een van de dingen die we daaruit hebben geleerd, is dat we op zoek moeten naar manieren om infectieverspreiding beter te kunnen detecteren. Bij die pandemie konden we een aantal vragen niet beantwoorden die onder de bevolking leefden. Moesten de scholen dicht? Moesten cafés en restaurants sluiten? Hoe nodig was dat allemaal? We moeten nadenken over de vraag hoe we daar sneller inzicht in kunnen krijgen en hoe we kunnen bepalen wat het effect van zulke maatregelen is.”
De eerste emerging infection waaraan zij nu denkt is vogelgriep. “Die is nu even wat minder in het nieuws, maar in de Verenigde Staten gaat het onder veel zoogdieren rond. Het is gevaarlijk dat de monitoring ervan in dat land is afgeschaald nu. Dat betekent dat de wetenschap er te laat bij is als de overdracht plaatsvindt van dier naar mens en vervolgens na mutatie van mens tot mens. Gelukkig doen we dit in Europa anders.”
Complexe relaties
In haar oratie wees Bruijning op het toegenomen wetenschappelijk besef over de complexe relaties tussen ziektekiemen en ziekte. “Daarbij hebben we het dus over de bestaande infectieziekten waarvoor we al wel vaccins hebben of ontwikkelen”, vertelt ze. “De vraag is hoe we die optimaal kunnen inzetten voor bescherming van de samenleving. We weten hierbij inmiddels dat sprake is van vele complexe relaties tussen infecties en andere gezondheidsproblemen, waardoor het steeds vaker niet meer gaat over bescherming tegen die ene infectieziekte alleen.”
In onderzoek op dit gebied spelen data de hoofdrol. “Door gezondheidsgegevens van groepen gevaccineerde en niet-gevaccineerde mensen te analyseren leren we patronen te herkennen op andere ziektebeelden, bijvoorbeeld een hart- of herseninfarct na griep. Daar kwam uit dat na een acute griep het risico op een hartinfarct 6 keer zo groot is, vooral bij mensen die nog niet werden behandeld voor hart- en vaatziekten. In die groep is dus winst te behalen. Door te vaccineren, maar wellicht ook via tromboseprofylaxe om ze door die kritische periode heen te helpen.”
Soortgelijk onderzoek wil antwoord geven op de vraag welke invloed post-covid heeft op het ontwikkelen van chronische aandoeningen als hart- en vaatziekten, dementie en auto-immuunziekten. “Dit kunnen we nu beter in beeld brengen omdat we in staat zijn grotere datasets met gezondheidsgegevens van mensen samen te voegen.”
Virale luchtweginfecties
Er zijn aanwijzingen dat infecties met ongerelateerde verkoudheids- of griepvirussen elkaar kunnen beïnvloeden. “Dit vind ik zelf een van de meest intrigerende onderwerpen waar ik aan werk”, zegt Bruijning. “Kinderen maken heel veel infecties door. Dat ziet er op het oog willekeurig uit, maar er zitten patronen in. Die zijn belangrijk want we proberen met vaccinatie die ene infectie te voorkomen, maar dat brengt andere infecties in een ander evenwicht en dat kan positief of negatief uitpakken. We moeten dus verder kijken dan alleen naar de vraag wat een vaccin op de doelziekte doet. Anders heb je niet het complete beeld en maak je misschien niet de meest optimale keuzes. We hebben bijvoorbeeld ontdekt dat de combinatie van het RS- en het adenovirus het verloop van de RS-infectie ernstiger kan maken. Bij een infectie met het para-influenzavirus zien we juist het omgekeerde. Dat kan kinderen erg ziek maken, maar een 2e virale infectie erbij kan een dempend effect hebben.”
“Het ene virus kan ook een 2e buiten de deur houden. Dus als je voor dat ene gaat vaccineren, geef je het 2e een kans. Met mathematische modellering maken we modellen waarbij we op populatieniveau kijken naar hoe dit uitpakt bij RS-virus, influenza en het coronavirus, die alle 3 veel bij kinderen voorkomen. Als je tegen 1 van die 3 gaat vaccineren, wat gebeurt er dan met die andere? Inzicht daarin kan informatief zijn voor de keuze tegen welke infecties je kinderen wel en niet gaat vaccineren en wanneer je dat het beste kunt doen.”
Samenwerking
In al het onderzoek dat Bruijning hier noemt, is multidisciplinaire samenwerking essentieel. “Voor het in kaart brengen van de relatie tussen infectieziekten en chronische ziekten is de samenwerking met onze cardiovasculaire onderzoeksgroep nodig”, vertelt ze. “Daarnaast zijn hierin ook de huisartsen partners voor ons. Zij beschikken over veel patiëntgegevens die wij in geanonimiseerde vorm gebruiken voor ons onderzoek. En ze kunnen de kennis die we ermee opdoen weer teruggeven aan patiënten. Daarnaast is samenwerking met de GGD belangrijk, want het is wel nodig dat mensen de vaccinaties nemen die waardevol voor hen zijn.”
Dit laatste is – vooral sinds de coronapandemie – een groot probleem. “Voor vaccinatietwijfel bestaat niet één oplossing. Wat we in mijn ogen nog beter kunnen doen is vaccineren positioneren als onderdeel van een gezonde leefstijl. Iedereen wil gezond blijven, maar we verkopen de boodschap over de rol van vaccinaties daarin niet zo goed.” Goede communicatie daarover kan helpen de vaccinatiebereidheid te vergroten. “Ook in relatie tot griep. Als je daarvan 4 weken later nog merkt hoe slecht je conditie is, denk je toch: had ik die prik maar gehaald. Het doormaken van zo’n acute ernstige infectie kan meer en langduriger gezondheidseffecten hebben dan mensen denken, zoals het risico op hart- en vaataandoeningen of ontwikkeling van dementie. Daar moeten we meer oog voor hebben en beter over communiceren.” Dan zijn er ook nog nieuwe technieken van vaccineren die de acceptatie voor vaccineren kunnen bevorderen: geen naald, maar een pleister of een neusspray.
Rol voor de huisarts
De huisarts is veelal het eerste aanspreekpunt voor gezondheidsvragen. Die kan daarom veel betekenen in het adviseren over vaccinaties. “Voor influenza en pneumokokken kan de huisarts bovendien zelf vaccineren”, zegt Bruijning. “Maar ook voor andere vaccinaties kan die een adviserende functie vervullen. En dat geldt net zo goed voor andere dokters zoals medisch specialisten. Het onderwerp mag in de spreekkamer best wat vaker ter sprake komen. Bijvoorbeeld ook bij een patiënt die net een hartinfarct heeft doorgemaakt of bij wie sprake is van een andere ziekte die de gevoeligheid voor infectieziekten verhoogt. Er zijn veel onderwerpen waarbij de dokter vaccinatie aan de orde kan brengen, en het woord van de dokter heeft doorgaans veel invloed op keuzes die mensen maken, zeker als het gaat om vaccinatie.”