Onderzoekers uit Denemarken Zweden en Noorwegen vonden een 80% hoger risico op een vroeggeboorte bij PsA-zwangerschappen in vergelijking met controlezwangerschappen. Combinatietherapie tijdens en een hoge ziektelast vóór de zwangerschap waren risicofactoren. Het stoppen van de behandeling met een bDMARD in het begin van de zwangerschap verhoogde het risico verder.
Deze studie was gericht op het berekenen van het risico op, en het identificeren van risicofactoren voor vroeggeboorte bij zwangere vrouwen met arthritis psoriatica (PsA). De onderzoekers koppelden gegevens uit reumatologie- en geboorteregisters en identificeerden PsA-zwangerschappen en controlezwangerschappen in de periode 2006-2021. Deze werden 1:10 gematcht op leeftijd, pariteit, land en geboortejaar. Aangepaste odds ratios (aOR’s) voor vroeggeboorte bij PsA-zwangerschappen versus controlezwangerschappen werden berekend voor de groep als geheel en na stratificatie op maternale kenmerken, antireumatische behandeling en ziektelast.
Er waren 54 vroeggeboortes onder 688 PsA-zwangerschappen (7,8%) ten opzichte van 312 onder 6880 controlezwangerschappen (4,5%), wat resulteerde in een aOR van 1,80 (95%-BI 1,29-2,51). Het risico werd niet substantieel beïnvloed door pariteit, roken en BMI. PsA-zwangerschappen waarbij een combinatie van biologische en conventionele synthetische DMARD’s en/of glucocorticoïden werd gebruikt, hadden een aanzienlijk verhoogd risico op vroeggeboorte in vergelijking met controlezwangerschappen (4,44; 2,07-9,50), terwijl dat niet het geval was bij blootstelling aan bDMARD-monotherapie (voornamelijk TNF-remmers; 0,73; 0,22-2,42). Een hoge ziektelast vóór de zwangerschap was ook geassocieerd met een verhoogd risico. Het percentage vroeggeboortes was tevens hoger bij vrouwen die stopten met een bDMARD tijdens het eerste trimester (21%) dan bij vrouwen die doorgingen na het eerste trimester (10%), hoewel het hier om kleine aantallen ging.
Bron: