Centrale aandoeningen gekenmerkt door hypersomnolentie (CDH) betreffen een groep primaire slaapaandoeningen, die bestaat uit onder andere narcolepsie type 1 en 2 en idiopathische hypersomnie. Narcolepsie type 1, met kataplexie, wordt veroorzaakt door hypocretinedeficiëntie. Een nieuw onderzoek van Nederlandse bodem toont nu aan dat lage hypocretine-1-niveaus bij mensen met CDH ook samenhangen met symptomen anders dan kataplexie.
Onderzoeker Jingru Zhou includeerde ruim 300 mensen met CDH uit een Europese database. Iets meer dan de helft van deze patiënten had een zeer lage hypocretine-1-waarde in liquor, lager dan 40 pg/ml. De overige patiënten hadden een laag, middelmatig of normaal hypocretine-1-niveau. Zhou gebruikte machine learning-technieken om verbanden op te sporen tussen de hypocretine-1-waarde en ruim 300 variabelen, waaronder demografische gegevens, subjectieve klachten, maten gebaseerd op polysomnografie en op een Multiple Sleep Latency Test (MSLT). Alle statistische analyses werden gecontroleerd voor BMI, leeftijd en geslacht.
Zowel een hoge BMI als een aanzienlijke gewichtstoename binnen een half jaar na de start van de hypersomnolentie hing significant samen met een lage hypocretine-1-waarde. Ook slaperigheid overdag was hieraan gerelateerd, meer specifiek een korte slaaplatentietijd en een korte REM-slaaplatentietijd tijdens een MSLT. Significante polysomnografische variabelen waren een korte slaaplatentietijd, een korte REM-slaaplatentietijd, een lage slaapefficiëntie, een groter aantal onwillekeurige bewegingen van de ledematen en een groter aantal apneus.
Uit een subgroepanalyse van mensen met kataplexie en hypocretine-1-waarden die lager dan normaal waren, bleek dat lagere hypocretine-1-waarden samenhingen met ernstigere kataplexie: meer aanvallen, die daarnaast vaker compleet waren, met een betrokkenheid van alle mogelijke spiergroepen.
Zhou concludeert dat lagere hypocretine-1-waarden samengingen met ernstigere symptomen, zowel in de hele CDH-populatie als in een subgroep van mensen met kataplexie en hypocretine-1-waarden die lager dan normaal waren. Deze uitkomsten suggereren dat hypocretine-1 een groter deel van de klinische heterogeniteit bij CDH kan verklaren dan eerder werd gedacht.
Bron: