Voor een probleem dat wereldwijd zo wijdverbreid is, wordt alopecia weinig onderzocht. Promovendus Mathias Willaert heeft meerdere studies naar dit ondergeschoven kindje van de dermatologie op zich genomen. Hij vertelt over zijn onderzoek naar de cicatriciële (littekenvormende) variant, waarbij de haaruitval irreversibel is. Er loopt onder meer een vergelijkend onderzoek naar de effecten van hydroxychloroquine en methotrexaat.
Willaert zit middenin zijn promotietraject, met onderzoek dat hem voert langs 2 brede paden: die van cicatriciële en niet-cicatriciële haaraandoeningen. Deze paden zijn allerminst platgetreden, aldus Willaert. “Voor een onderzoeksproject dat ik tijdens mijn studie geneeskunde in het Erasmus MC mocht doen, kwam ik bij Rick Waalboer-Spuij en DirkJan Hijnen terecht voor haaronderzoek. Dat was binnen de dermatologie heel lang een ondergeschoven kindje geweest. Juist dat maakte het interessant om er beginnend onderzoek in te gaan doen.” Willaert ging masteronderzoek doen naar lichen planopilaris (LPP) en frontale fibroserende alopecia (FFA). Dit zijn vormen van cicatriciële alopecia, dus met littekenvorming, waardoor de uitgevallen haren niet teruggroeien. Dit onderzoek is eind 2023 uitgegroeid tot een promotietraject met wel en niet cicatriciële haaraandoeningen als onderwerp. (NB: Over het niet-cicatriciële deel heeft Willaert aan MedNet al eens een interview afgegeven.) De behoefte aan onderzoek naar de cicatriciële vorm van haaruitval is ook expliciet genoemd in de kennisagenda uit 2019 van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie (NVDV).
Haarzakjes als ongewenste indringers
Bij cicatriciële alopecia keert het eigen immuunsysteem zich tegen de haarzakjes. Willaert: “Haar is in principe lichaamsvreemd materiaal en moet daarom worden beschermd tegen het immuunsysteem. Dit zogeheten lokale immuunprivilege bevindt zich rondom ieder haarzakje. Als om welke reden dan ook dit immuunprivilege verzwakt of wegvalt, dan kunnen de haarzakjes worden aangevallen. Er ontstaat een chronische ontstekingsreactie, waardoor haren uitvallen en een kale plek of zelfs totale kaalheid kan ontstaan. Bij cicatriciële alopecia is de haaruitval irreversibel; het doel van de behandeling is met name uitbreiding voorkomen. Je probeert de ontsteking, die vaak nog in de randen van de kale plekken zit, te remmen om uitbreiding te voorkomen. Daarnaast wil je natuurlijk de klachten en symptomen verminderen. LPP en FFA kunnen gepaard gaan met pijn, jeuk en een brandend gevoel.”
Een belangrijk hulpmiddel bij het stellen van de diagnose is trichoscopie, waarmee de diagnose vaak klinisch gesteld kan worden. Zo niet, dan wordt een weefselbiopt afgenomen om uitsluitsel te krijgen. Een manier om cicatriciële alopecia te voorkomen is er tot op heden niet. “Er is ook nog geen duidelijke oorzaak bekend.”
Soms kan de ontsteking spontaan uitdoven. “Alleen weten we niet goed bij welke patiënten dat gebeurt. Bovendien kunnen we vooraf niet voorspellen wanneer dit zal gebeuren en hoeveel blijvende schade, in de vorm van permanente kale plekken, er dan al is ontstaan. Daarom kiezen we er vaak voor om niet af te wachten, maar een behandeling te starten om verdere uitbreiding te voorkomen. Als de behandeling goed aanslaat en de ontsteking tot rust komt, kunnen we de medicatie soms geleidelijk afbouwen, zolang de ontsteking niet opnieuw opvlamt.”
Analyse huidige behandelopties
Omdat bij LPP en FFA een immuungemedieerd ontstekingsproces een belangrijke rol speelt, vormen immuunsuppressiva een belangrijke systemische behandeloptie. Veel van het onderzoek binnen Willaerts promotietraject draait om deze middelen. Allereerst analyseerde hij in een retrospectieve cohortanalyse de effectiviteit van de huidige behandelopties bij LPP en FFA.1 Hij beschikte over gegevens van 315 patiënten (91% vrouwen), van wie er 161 LPP en 154 FFA hadden. Hydroxychloroquine – dat vooral wordt voorgeschreven bij auto-immuunziekten zoals reumatoïde artritis – was zowel bij LPP (65%) als bij FFA (58%) de meest gebruikte systemische behandeling. Het wordt ook in de tweede lijn vaak als eerste middel ingezet, aldus Willaert. Al met al leken methotrexaat en ciclosporine het meest effectief bij LPP, en ciclosporine en retinoïden bij FFA.
Willaert plaatst een paar belangrijke kanttekeningen: “Ciclosporine en retinoïden worden vaker dan hydroxychloroquine en methotrexaat gestaakt in verband met bijwerkingen; dat bevestigde deze analyse ook weer. Ciclosporine wordt om die reden vaak pas als tweede of derde middel ingezet, als hydroxychloroquine of methotrexaat onvoldoende effectief zijn gebleken. Daarnaast ging het om een retrospectieve studie, waarbij niet alle data volledig beschikbaar waren en we ook geen vaste, gevalideerde uitkomstmaat konden gebruiken. Daardoor moeten we de resultaten voorzichtig interpreteren.” Het ‘Harenonderzoeksteam’ van het Erasmus MC nam vervolgens de eigen aanbeveling ter harte om de resultaten te valideren in een prospectieve studie, in dit geval bij LPP: de HEMLET-studie.
Studie bij lichen planopilaris
De HEMLET-studie is een prospectieve, patient preference trial, waarbij deelnemers zelf kunnen kiezen tussen 2 systemische behandelingen voor LPP: hydroxychloroquine of methotrexaat. Willaert: “De belangrijkste reden om de studie op te zetten was om de effectiviteit van de twee meest gebruikte middelen tegen elkaar af te zetten. Het primaire eindpunt is de effectiviteit, maar we monitoren ook alle bijwerkingen en het effect op kwaliteit van leven. Het onderzoek loopt 6 maanden tot 1 jaar per patiënt. Tijdens driemaandelijkse controles meten we onder meer het effect van de behandeling en vullen patiënten vragenlijsten in over de impact van de aandoening op hun dagelijks leven.” De meeste van de beoogde 56 deelnemers zijn inmiddels geïncludeerd, maar voor afronding van de studie zijn nog enkele deelnemers nodig. “Daarom bij deze een warme oproep om aan de HEMLET-studie te denken bij LPP-patiënten die nog geen systemische behandeling hebben gekregen.”
Kwaliteit van leven
Willaert verwacht ergens medio 2027 de eerste analyses te kunnen loslaten op de resultaten van de HEMLET-studie. Behalve de behandeluitkomsten hebben deze analyses een belangrijk ander onderwerp: de impact van LPP op het dagelijks leven van patiënten. Willaert: “We weten dat haaraandoeningen in het algemeen, en cicatriciële alopecia in het bijzonder, veel negatieve impact kunnen hebben op het welbevinden. Eerdere studies hebben ook een verhoogde kans op depressie en verminderde zelfzekerheid laten zien.”
Daarnaast bereidt Willaert een aparte studie voor naar de impact op de kwaliteit van leven, maar ook naar zorgconsumptie. Zorgconsumptie bestaat bijvoorbeeld uit haarwerken of -stukken en andere camouflagemiddelen. Deze zorg wordt voor hooguit een klein deel vergoed; ook daarin willen we meer inzicht verkrijgen.”
JAK-remmers als game changer?
Bij alopecia areata, een vorm van niet-cicatriciële alopecia, zijn Janus-kinase (JAK)-remmers al veelbelovend gebleken, zoals een retrospectieve cohortstudie van Willaert heeft bevestigd.2 Inmiddels zijn ook de eerste studies van JAK-remmers bij cicatriciële alopecia begonnen. Hoewel het ziektemechanisme verschilt van dat bij alopecia areata, zou deze behandeling succes kunnen hebben. Grote studies ontbreken echter nog. We zullen dus moeten afwachten of JAK-remmers ook bij cicatriciële alopecia effectief zijn, en ook daar uiteindelijk een game changer kunnen worden.”
Referenties
- Willaert M, van Dongen T, Dikrama P, et al. Systemic treatments for lichen planopilaris and frontal fibrosing alopecia: A retrospective study of 315 patients. Acta Derm Venereol. 2025 Apr 28:105:adv42465.
- Van Helmond SC, Willaert M, Nguyen VH, et al. Real-world effectiveness and safety of Janus Kinase Inhibitors in alopecia areata: A retrospective cohort study of 72 patients. Acta Derm Venereol. 2025;105.