Bij patiënten met systemische lupus erythematosus (SLE) kan het routinematig meten van bloedspiegels van hydroxychloroquine (HCQ) leiden tot betere ziektecontrole. Dat blijkt uit een prospectieve cohortstudie, waarin zowel inter- als intra-individuele variatie werd geanalyseerd.
HCQ is de hoeksteen van de behandeling van SLE, maar de dosering op basis van lichaamsgewicht houdt geen rekening met klinische factoren die de individuele variabiliteit in het metabolisme en de klaring van het geneesmiddel kunnen veroorzaken.
De onderzoekers includeerden 247 SLE-patiënten (962 bezoeken). Op baseline had 45% van de deelnemers subtherapeutische HCQ-spiegels (< 750 ng/ml) en 79% kreeg < 5 mg HCQ/kg/dag. Ondanks de standaarddosering op basis van lichaamsgewicht (5 mg/kg/dag) hadden patiënten met een nierfunctie ≤ 75 ml/min/1,73 m² supratherapeutische HCQ-spiegels.
Lage HCQ-spiegels bleken klinisch relevant: zeer lage (< 200 ng/ml) en subtherapeutische (200-<750 ng/ml) spiegels gingen gepaard met respectievelijk 6,7- en 2,6-voudig hogere kans op actieve ziekte vergeleken met therapeutische spiegels (750-1150 ng/ml). Binnen individuele patiënten bleek iedere stijging van 100 ng/ml geassocieerd met een 33% lagere kans op ziekteactiviteit en 22% minder kans op flares.
Integratie van therapeutische drug monitoring in de routinezorg lijkt daarmee een veelbelovende strategie voor de optimalisatie van HCQ-behandeling bij SLE.
Bron: