Wanneer maatschappelijke verschillen leiden tot jaren korter leven, en zelfs 25 jaar verschil in gezonde levensverwachting, is dat voor prof. dr. H.M.M. (Hedwig) Vos onacceptabel. Daarom zet Vos zich actief in om ongelijkheid te verminderen en roept zij collega-huisartsen op zichzelf de vraag te stellen: doen we sommige mensen tekort in de zorg?
Vos is nu ruim een jaar hoogleraar en afdelingshoofd Huisartsgeneeskunde in het LUMC, met als leeropdracht de brede huisartsgeneeskunde. Daarbij heeft Vos in het bijzonder belangstelling voor de gezondheid van vrouwen en het thema diversiteit en inclusie. Op het gebied van onderzoek zet zij zich in voor het verbeteren van de gezondheid van bevolkingsgroepen met een lagere sociaaleconomische positie. “Het feit dat er gezondheidsverschillen bestaan in Nederland, en dat deze alleen maar groter worden, gaat mij aan het hart. Dat maakt dat ik graag bijdraag aan het dichten van deze kloof.”
Gezondheidsverschillen
Want de verschillen zijn groot. Dat is volgens Vos niet alleen het gevolg van inkomensverschillen of opleidingsniveau, maar spelen veel meer factoren een rol, zoals het ervaren van stress en de omgeving waarin iemand leeft. Vos ziet dat ondanks dat het zorgsysteem heel toegankelijk is, de zorg niet voor iedereen evengoed is georganiseerd. “Mensen met goede gezondheidsvaardigheden, voldoende taalvaardigheid en een hoger inkomen vinden makkelijker hun weg in de zorg, kunnen zo nodig zelf bijbetalen en zoeken vaker tijdig hulp. Daardoor ontvangen zij vaak betere zorg dan mensen bij wie deze voorwaarden ontbreken.”
Verschillen verkleinen
Feit is dat er weinig huisartsen zijn die zelf uit bevolkingsgroepen komen met een lagere sociaaleconomische positie. Vos noemt de studies van Lianne Mulder naar de ‘leaky pipeline’.1 “Deze laten zien dat kinderen met een migratieachtergrond vaak al op de basisschool lagere schooladviezen krijgen en op de middelbare school lager worden ingeschat. Bij elke stap in het onderwijs neemt hun aandeel af, vooral bij studies met een numerus fixus, zoals geneeskunde.” Daarbij komen de meeste geneeskundestudenten uit een beperkt aantal postcodegebieden, en uit rijkere gezinnen met ouders uit hoge inkomensklassen. Vos: “Vervolgens gaan zij als huisarts werken in wijken waar veel mensen wonen met een lagere sociaaleconomische positie, en moeten zij zich inleven in de armoede, stress en discriminatie die veel patiënten daar dagelijks ervaren.” Ook noemt Vos het onderzoek van de huisartsopleiding Amsterdam, van onder andere Nathanja van Moppes.2 Daaruit blijkt dat aios met een biculturele achtergrond vaker problemen ervaren, lagere beoordelingen krijgen of uitvallen. “In een groep van ongeveer 10 tot 12 aios zou de samenstelling idealiter de diversiteit van de samenleving moeten weerspiegelen. Lukt dat niet, dan is het al waardevol als er één tot 3 aios met een migratieachtergrond zijn. Dat verruimt de blik van de hele groep”, zegt Vos.
Mentale barrières
Vos benadrukt dat het niet alleen gaat om mensen met een migratieachtergrond. Er spelen veel meer vooroordelen en stigma’s. “Bijvoorbeeld bij mensen met overgewicht, de lhbtqia+-gemeenschap, mensen met onbegrepen klachten of post-COVID”, somt Vos op. “Tijdens een bijeenkomst over PrEP vertelden mannen dat ze niet bij elke huisarts durven aan te kloppen voor hiv-remmers. Of ze doen dat wel, maar krijgen het medicijn niet altijd.” Vos ziet hierin een verschil tussen mentale en fysieke bereikbaarheid. “De zorg is voor iedereen fysiek toegankelijk, maar mentaal zijn er barrières.”
Vooroordelen
Je bewust worden van vooroordelen is belangrijk, dat geldt ook voor Vos zelf. Als voorbeeld noemt Vos een onderzoek rond anticonceptie dat zij wilde opzetten, nu het door de invloed van influencers een trend is geen anticonceptie te gebruiken. “Soms raakt een vrouw ongepland zwanger. Maar hoe erg is dat eigenlijk? Als zij het zelf geen probleem vindt, wie zijn wij dan als artsen om daar een oordeel over te hebben? Er zit ontzettend veel moraliteit en controle op de reproductie van vrouwen, waar wij blijkbaar iets van vinden.”
Vrouwengezondheid
Dat raakt het focusgebied van Vos: vrouwengezondheid. “Vrouwen komen vaker dan mannen bij de huisarts, maar worden minder serieus genomen”, vertelt ze. “Ze krijgen minder vaak pijnstilling dan mannen, zeker vrouwen van kleur, worden minder vaak doorverwezen, krijgen minder diagnostiek en als we een diagnose stellen, weten we niet altijd welk behandeltraject we moeten inzetten. De uitkomst van de zorg is daardoor uiteindelijk slechter. Dat zit blijkbaar diep in onze maatschappij verankerd. Kijk alleen al naar menstruatiepijn en overgangsklachten. Als wij – artsen en vrouwen zelf – denken dat deze klachten erbij horen, houden we het systeem met elkaar in stand.” Samen met onderzoekers en artsen binnen het LUMC wil Vos meer onderzoek doen naar vrouwengezondheid.
Verbreding
Vos hoopt dat studenten en collega-zorgverleners zich bewust worden van de ongelijkheid in de zorg, en dat zij over hun eigen grenzen heen willen kijken. Daarbij stimuleert ze studenten in opleiding tot huisarts om al tijdens de opleiding verder te kijken dan alleen het eigen vakgebied. Vos is betrokken bij een project voor interprofessioneel opleiden, waarbij aios Huisartsgeneeskunde gekoppeld worden aan aios in het ziekenhuis, om samen ervaring op te doen. Ook lopen aios mee met studenten Social Work. “Het doel daarbij is de kennis en ervaring van de studenten verbreden zodat dit later leidt tot meer begrip en samenwerking.”
Samenwerking tussen verschillende lijnen
Vos ziet ook meer mogelijkheden tot samenwerking tussen de verschillende lijnen in de gezondheidszorg. De zorg verschuift steeds vaker van de derde- en tweedelijn, naar de huisarts, de wijk en het sociaal domein. “In de eerstelijn ontbreekt vaak het personeel en de proactieve aanpak die er in de tweedelijn wel is”, stelt Vos. “Een oplossing is om ziekenhuisverpleegkundigen samen met huisartsen in de wijk te laten werken in transmurale teams.” Als voorbeeld noemt ze een osteoporoseverpleegkundige die haar spreekuur bij de huisarts houdt. “Zo krijgen patiënten specialistische zorg dichtbij huis, zonder dat zij naar het ziekenhuis moeten. Ook bij de post-COVID-poli is dit relevant”, aldus Vos. “Deze zorg moet uiteindelijk naar de eerstelijn, maar veel kennis zit nu vooral in de tweede- en derdelijn. Het is belangrijk om een deel van die expertise ook buiten het ziekenhuis beschikbaar te maken.”
“Duidelijkheid en communicatie zijn hierbij heel belangrijk”, vervolgt Vos. “Specialisten weten niet altijd of een huisarts een bepaalde patiënt goed kan behandelen of doorverwijzen. Daarom willen we vanuit onze praktijk in het LUMC onderzoeken hoe we specialisten bij deze keuzes kunnen ondersteunen. Zo komen patiënten op de juiste plek terecht.”
Bewustwording
Vos wil de gezondheidszorg beschikbaar en toegankelijk maken, op mentaal en fysiek gebied, zodat meer patiënten daadwerkelijk de zorg krijgen die ze nodig hebben. “Ik roep huisartsen op om zichzelf de vraag te stellen: doen we sommige mensen tekort? Hebben we misschien onbewust vooroordelen die invloed hebben op de behandeling? En durf ook eens anders te kijken; wat als de patiënt wel gelijk heeft? Bijvoorbeeld bij post-COVID-klachten of een vitamine B12-tekort. En oordeel niet te snel wanneer iemand met een migratieachtergrond kiest voor zorg in het buitenland, maar luister en probeer die keuze te begrijpen. Bewustwording en ruimte voor moeilijke gesprekken leiden ertoe dat complexe patiënten wél de zorg krijgen die ze nodig hebben.”
Referenties