De richtlijn voor congenitale melanocytaire naevi (CMN) is herzien en uitgebreid met nieuwe modules voor diagnostiek, behandeling en zelfmanagement. De update moet zorgprofessionals meer houvast geven bij risicostratificatie, follow-up en patiëntgerichte zorg, met extra aandacht voor psychosociale begeleiding en uniforme diagnostiek.
CMN zijn aangeboren pigmentlaesies die ontstaan door een ontwikkelingsstoornis van melanocyten. Vooral patiënten met grotere of meerdere naevi hebben een verhoogd risico op melanoom of neurocutane melanocytose. De herziene richtlijn speelt in op nieuwe literatuur en praktijkvragen rondom diagnostiek, monitoring en behandeling van deze patiëntengroep.
Nieuw zijn onder meer modules over scoresystemen, moleculaire diagnostiek, behandeling van jeuk en therapie bij folliculitis en epidermale cyst-like laesies. Daarnaast zijn bestaande modules herzien. Zo adviseert de richtlijn nu om bij patiënten in risicoklasse 3-5 vroegtijdig MRI-onderzoek van hersenen en wervelkolom uit te voeren. Bij een normale MRI zonder neurologische symptomen is routinematige herhaling niet nodig.
Ook psychosociale zorg heeft een prominentere plaats gekregen. Jaarlijkse screening op psychosociale belasting wordt aanbevolen, evenals laagdrempelige verwijzing naar gespecialiseerde begeleiding. Verder benadrukt de richtlijn het belang van gezamenlijke besluitvorming, zelfcontrole en goede voorlichting aan patiënten en ouders binnen de dagelijkse klinische praktijk.
Bron: