De huidige richtlijnen over multipele sclerose (MS) bevelen aan om jaarlijks een MRI-scan te maken bij patiënten die worden behandeld met ocrelizumab. Aangezien radiologische ziekteactiviteit weinig voorkomt bij deze patiënten, rijst de vraag in hoeverre deze intensieve MRI-monitoring nodig is. Uit een Nederlands onderzoek blijkt nu dat een lagere scanfrequentie bij een deel van de MS-patiënten volstaat.
Promovenda Lisa Schoof en haar collega’s uit het Amsterdam UMC gebruikten gegevens uit het Amsterdam MS-cohort, een prospectief, observationeel register. Inclusiecriteria waren: aanwezigheid van relapsing of primair progressieve MS, behandeling met ocrelizumab en de aanwezigheid van minimaal 2 MRI-scans die waren afgenomen na minimaal 3 maanden behandeling met ocrelizumab.
Ze definieerden radiologische ziekteactiviteit als de aanwezigheid van minimaal 1 gadoliniumaankleurende laesie, of de aanwezigheid van een nieuwe of groter wordende T2-laesie in een vergelijking met een eerdere referentiescan. Op basis van deze informatie berekenden de onderzoekers het ‘number needed to scan’ (NNS): het aantal scans dat nodig was om op 1 scan ziekteactiviteit te vinden. Ook voerden ze een analyse uit waarin ze deze NNS afzetten tegen de duur van de behandeling met ocrelizumab.
In totaal waren 1639 MRI-scans aanwezig van 342 patiënten. Radiologische ziekteactiviteit was zichtbaar op 27 scans (1,8%) van 23 patiënten (6,8%) gedurende een mediane behandelduur van rond de 4 jaar. De NNS nam sterk toe naarmate de behandelduur langer werd, vooral na meer dan 2 jaar. Bij asymptomatische patiënten leidden de MRI-uitslagen nooit tot een verandering in de behandeling.
De onderzoekers concluderen dat het MRI-interval veilig kan worden verlengd bij stabiele MS-patiënten na meer dan 2 jaar behandeling met ocrelizumab. Een mogelijk schema is: na 4-6 maanden, 1 jaar, 2 jaar, 4 jaar, 8 jaar, enzovoort. Tot slot stellen de onderzoekers dat een aanpassing van de frequentie nodig is bij patiënten die nieuwe symptomen krijgen.
Bron: