Nortriptyline is een tricyclisch antidepressivum dat ook vaak wordt ingezet bij patiënten met functionele dyspepsie (FD). Hoewel nortriptyline is opgenomen in behandelrichtlijnen, is het bewijs voor de effectiviteit ervan bij FD niet eenduidig. Bovendien geeft het bij sommige patiënten vervelende bijwerkingen. Prof. dr. Daniel Keszthelyi (MUMC+) en collega’s onderzochten daarom of nortriptyline beter werkt wanneer het gerichter wordt voorgeschreven.
Ze voerden daarvoor bij potentiële studiedeelnemers eerst genotypering uit op basis van CYP2D6, het primaire enzym verantwoordelijk voor de metabolisatie van nortriptyline. Bij patiënten zonder CYP2D6 wordt nortriptyline te langzaam verwerkt en is de kans op bijwerkingen groter, zij werden daarom geëxcludeerd. Geschikte patiënten uit 11 Nederlandse centra werden gerandomiseerd naar nortriptyline (n = 33) of een placebo (n = 36).
Nortriptyline bleek niet effectiever dan placebo in het verminderen van FD-symptomen. Bij ongeveer de helft van de deelnemers in beide groepen verbeterden de klachten. Ook het aantal bijwerkingen verschilde niet tussen de groepen. Bij patiënten die wel verbetering ervoeren in de klachten met nortriptyline, werd echter wel een hogere nortriptylineconcentratie in het bloed gemeten. Dat suggereert dat het middel toch een biologisch effect heeft bij deze specifieke subgroep, al is deze studie onvoldoende om een behandelvoordeel aan te tonen.
Opvallend was dat de overtuiging dat men nortriptyline had gekregen een hogere respons (77%) gaf dan de overtuiging dat men een placebo had gekregen (36%; p = 0,004). De onderzoekers concluderen dat deze resultaten laten zien hoe belangrijk de context van behandeling is.
Bronnen:
MUMC+